Eeuwig verlangen naar de binnenkant van de berg

Toen de eindeloos durende kinderserie ‘Hamelen’ was afgelopen; bleef Wilfred Takken eenzaam achter op de bank, knipperend tegen het felle licht.

Na vijf jaar zwerven door de magische wereld aan de binnenkant van de berg, waar een rattenvanger ze met zijn toverfluit naar toe heeft gelokt, na vijfenveertig afleveringen leven met ijsheksen, trollen, woelreuzen, moerasmonsters en prinsen, vinden de Hamelaars eindelijk de weg terug naar Hamelen. Groot feest, een dubbel huwelijk, het slotlied. Dan vraagt Brechtje aan haar verloren gewaande Hildebrandt: „Waar denk je aan?”

Hildebrandt Brom (Ab Hofstee) antwoordt: „Aan mijn hoed.”

Dat zijn meteen de laatste woorden van de tv-serie Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen, mijnheer? Niet de woorden die Brechtje wil horen. Zeker niet als ze zou begrijpen wat hij bedoelt. Hildebrandts hoed is door een betovering zo groot als een kasteel geworden, en is daarom achtergebleven in de sprookjeswereld. Hildebrandt denkt aan wat hij heeft achtergelaten.

In de magische wereld verlangde hij vurig naar Hamelen. En nu hij eindelijk is teruggekeerd, herenigd met zijn geliefde, verlangt hij naar zijn ballingsoord. Na Heimweh komt Fernweh. De Hamelaars voelden dat al aan vlak vóór ze teruggingen, want toen zongen ze: „Hij die naar huis gaat, viert bitter feest/ Verder van huis ben ik nooit geweest.”

Hildebrandt is voorgoed veranderd. Een deel van hem – zijn hoed – ligt ginder. Hij ervaart wat veel vluchtelingen en andere landverhuizers ervaren: hij zal nooit meer passen in zijn vaderland. Hamelen zal altijd bleek afsteken bij de andere wereld waar hij Baron van Laar was, en de moerasgeest versloeg bij het modderworstelen in de Poedelpoel van de Plomp van Tromp.

En ik dan, daar aan de andere kant van het kijkvenster? Wat moest ik? Ik keek naar ‘Hamelen’ van mijn vierde tot mijn achtste. Een mensenleven. Ik kende geen leven zonder ‘Hamelen’. Ik keek doorgaans alleen. Mijn moeder was met de anderen naar zwemles. Ik zat op de bruine ribfluwelen doorzakbank, de groenbruine kamer werd langzaam donker. O jeugd die nooit was en voor eeuwig stilstaat in de tijd.

Toen de KRO in 1972 vroeg aan schrijver Harrie Geelen om binnen een maand een vervolg te schrijven op zijn plots beëindigde kinderprogramma Oebele, had hij een variant in zijn hoofd van het sprookje over de rattenvanger van Hamelen. En hij wilde een 17de-eeuwse versie maken van de soap Peyton Place. Daarom duurde het zo eindeloos: „Dit is de nog lang niet afgelopen serie, in levende kleuren: Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen, mijnheer?”

Geelen schiep Hollandse fantasy: magie, ingewikkelde plots, met in iedere bijzin weer een glimp van een nieuwe, onbekende wereld, vol wezens met vreemde namen: doodenge schurk Prins Guurt van Graps, giechelende dwerg Gruizel Gruis, Geerte de Theetrol, Nachtwind Hole, Kuddegeest Tilanus van Gulik, Nimf Nauta de Nevelreuzin, Schepel de Malende Elf, Woelreus Gark, en Prinses Gale met de Vlechtjes.

Tolkien, C.S. Lewis, Harry Potter, maar dan met veel minder actie. Pratende mensen in studiodecor. Ze vlogen wel rond op het Vliegend Vloerkleed Kamerbreed, maar het avontuur zat in de taal. Hamelen was literaire tv, waarbij Geelen varieerde op bestaande sprookjes en mythes.

Vier jaar lang leefde ik met ‘Hamelen’. En nu was het 15 mei 1976, het einde van eindeloos. Wat restte mij? Een opgebroken straat in de regen. Edwin Drupsteen die mijn gele petje in het vuur gooide. Mijn ouders beneden horen ruziën.

Dankzij Hamelen kreeg ik zicht op een andere wereld, een betere wereld. De wereld van de verhalen. Op televisie, film en vooral in boeken. Verhalen die nog dieper binnendringen als je een kind bent. Het beste werken de langlopende avonturen. De trilogie van Thea Beckman, De boeken der kleine zielen, De graaf van Monte-Cristo, Grote verwachtingen, De Kartuize van Parma, From the Terrace, Oorlog en vrede, Leven en lot. Dat zijn de werelden waarin ik leef. Niet per se mooiere werelden, trouwens. Ook de andere wereld in ‘Hamelen’ werd beheerst door dreiging, kerkers, ontvoering, verdwijning. Voor je het weet, veranderde een heks je in een woei, die willoos met de winden meewaaide, en alleen soms kon huilen in de schoorsteen.

Het nadeel van die verhalen is dat ze op een dag zijn afgelopen. En ze maken me ongeschikt voor het leven buiten de fictie. Hier, aan de buitenkant van de berg, doe ik ook heus mijn best. Maar overal ligt dat verlangen onder. „Ach, ach, rattenvanger/ wacht niet langer, wacht niet langer.” Maar Hamelen is weg. Er is geen weg terug.

    • Wilfred Takken