Zijlstra heeft geen visie. Hij heeft een opvatting

Met de kunstbezuinigingen breekt het kabinet af wat door velen en voor ons allen is opgebouwd, vindt Willem Melchior. En zeg niet dat Van Gogh ook geen subsidie kreeg. Die werd onderhouden door zijn broer.

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)

Nog niet zo lang geleden verschenen er paginagrote opiniestukken van gezaghebbende mensen die er schande van spraken dat de cultuur het met een staatssecretaris moest doen in plaats van met een minister. Het was ook de tijd waarin ervoor gepleit werd één procent van de staatsbegroting vrij te maken voor cultuur.

Thans hebben we een staatssecretaris voor onderwijs, cultuur én wetenschap die, als we op zijn woorden afgaan, zo ongeveer eigenhandig afbreekt wat in de loop van een halve eeuw door talloos velen en ten behoeve van ons allen is opgebouwd.

Na afloop van het Kamerdebat over de kunstbezuinigingen mocht staatssecretaris Zijlstra (Cultuur, VVD) in NRC Handelsblad verkondigen dat hij wel degelijk een visie had.

Maar Zijlstra heeft alleen een opvatting. Te weten de liberale, die overheidsbemoeienis onwenselijk acht. En die hij nu, zonder meer onderscheid te maken, evengoed voor kunstenaars wil laten gelden als voor advocaten. „Ik vind de afhankelijkheid van de subsidie niet gezond voor een creatieve sector”, zegt de staatssecretaris in het interview. Hij beschouwt voortzetting van beleid dat híj niet goed vindt, als onbehoorlijk bestuur en ziet verandering van het beleid als een missie. Dat „sommige mensen” in de culturele sector, wier baan „een way of living is waar ze hun ziel en zaligheid in leggen”, omwille van die missie „iets anders moeten gaan doen”, neemt hij kennelijk voor lief. Dat zijn er dan in de theaterwereld alleen al een slordige tienduizend, de freelancers niet meegerekend.

Niet gezellig, inderdaad, zoals de kop boven het interview al vaststelde (‘Gezellig was het niet. Nodig wel’). En inhoudelijk amper een vooruitgang ten opzichte van de oorspronkelijke rechtvaardiging van de missie die, toon of geen toon, hoofdzakelijk bestond uit het argument dat Vincent van Gogh ook geen subsidie kreeg. De bewindsman verzekerde zich daarmee in elk geval van de steun van de ingezondenbrievenschrijfster in De Telegraaf die toegaf van kunst geen verstand te hebben. Van de staatssecretaris van Cultuur mogen we aannemen dat hij voldoende verstand van kunst heeft om bekend te zijn met wat tot de grootste kunstclichés is gaan behoren, namelijk dat Van Gogh zijn hele leven nooit één schilderij verkocht heeft. Van Gogh werd onderhouden door zijn broer. Wat Zijlstra in feite betoogde was dus dat kunstbeoefening weer het privilege moest worden van degenen die van huis uit geld genoeg hebben om niet te hoeven werken voor de kost.

Terloops verkondigde Zijlstra ook dat Mozart klanten had, terwijl Mozart bij de verschillende vorsten, kerkelijke dan wel wereldlijke, in dienst was. En heus niet betaald werd met geld dat die vorsten door noeste arbeid zelf bij elkaar hadden gespaard. Mozart werd betaald uit de staatskas, al heette dat in die dagen geen subsidie.

Het is kwalijk om met een paar heel grote namen te gooien en de kunst aldus terug te brengen tot iets wat alleen telt als het bekendheid geniet bij de miljoenen, en ondertussen voorbij te gaan aan het feit dat Mozart in een naamloos armengraf is verdwenen en Van Gogh zich na een leven van armoede eerst een oor afgesneden en daarna een kogel door de kop gejaagd heeft.

De discussie over de kunstbezuinigingen heeft zich onvermijdelijk toegespitst op de vraag of de overheid moet opdraaien voor de kunst. Aan de ene kant werd de belastingbetaler erbij gehaald alsof dat iemand was die geheel ten onrechte geld uit de zak werd geklopt, aan de andere kant werd gerept van het zweet dat werd vergoten eer een muziekstuk behoorlijk uit de orkestbak opklonk. De waarde en het belang van de kunst kwamen alleen nog in deze context, en daardoor in vertekende vorm, aan de orde. Dat het kabinet zelf niet geloofde in zijn opvatting dat de kunstenaar net als de groenteman en de grootindustrieel zichzelf moet kunnen bedruipen, bleek intussen wel uit het feit dat Halbe Zijlstra de buitenproportionele omvang van de kunstbezuinigingen glimmend van voldoening presenteerde als noodzakelijk om een omslag in de kunstsector af te dwingen en dan, als hij met argumenten werd geconfronteerd, stuurs terugviel op de crisis, zeggend dat iedereen in moest leveren – alsof er in de kunstsector geen sprake van buitenproportionele bezuinigingen was.

Voor de noodzakelijkheid van die omslag biedt ook de brief aan de Kamer geen onderbouwing. Tenzij je het eens, of oneens, wilt zijn met het argument dat het cultuurbeleid niet langer in de pas loopt met de veranderde samenleving. Of dat de rol van creatieve ondernemer beter aansluit bij de ontwikkeling van de nieuwe generatie beeldende kunstenaars.

De werkelijkheid is dat hier particuliere opvattingen worden doorgedouwd door bewindslieden. Die de kans krijgen, omdat ze aan de verkiezingen een meerderheid van de helft plus één hebben overgehouden. En dat een wezenlijk deel van de coalitie én de oppositie dit heeft laten gebeuren omdat het andere zaken blijkbaar belangrijker vond.

Het geval wil dat kunstenaars voor het overgrote deel veroordeeld zijn tot armoede. Dat is altijd zo geweest en zal altijd zo blijven, om verschillende redenen, waarvan de belangrijkste is dat de waarde van kunst niet bepaald kan worden aan de hand van de waarde van het geleverde product. Kunst is waard wat een gek ervoor geeft.

Het belang van kunst behoeft intussen geen betoog. Kunst is belangrijk voor alle mensen, want alle mensen vinden naast de onderwerping aan de verplichtingen die het grootste deel van hun bestaan in beslag neemt, ontspanning, vreugde en niet in de laatste plaats zingeving van dat bestaan in de kunstbeleving, of ze nu een boek lezen, naar de bioscoop gaan of een balletvoorstelling bezoeken.

In de tweede helft van de vorige eeuw groeide het besef dat het geen pas gaf om ons met zijn allen te laven aan wat de kunstenaars voortbrengen en vervolgens de kunstenaars zelf in hun armoede te laten barsten. Sindsdien is er op alle mogelijke manieren ongelooflijk veel werk verzet om ervoor te zorgen dat kunstenaars in elk geval een min of meer fatsoenlijk bestaansminimum hebben. Dat is wat nu op het spel staat. En de staatssecretaris weet dit, getuige zijn voornemen om „intensief overleg met de filantropische sector” te gaan voeren.

Het gaat niet om Vincent van Gogh, die versteld zou staan als hij wist hoeveel koektrommels, kalenders en keukenschorten tegenwoordig met zijn schilderijen worden opgesierd, of om Mozart, die binnen de kortste keren rijk als Croesus zou zijn als hij op aarde kon terugkeren en royalty’s mocht gaan innen voor de uitvoering van zijn muziek. Het gaat evenmin om de overheid die opdraait voor de kunst of om de belastingbetaler wie geld uit de zak wordt geklopt.

Het gaat om een veel wezenlijker kwestie, namelijk de vraag of de samenleving, dat is de gemeenschap van de mensen, bereid is de verantwoordelijkheid te blijven nemen voor de kunst waarzonder zij niet dan in geestelijke armoede kan bestaan.

Of een kabinet dat regeert bij de gratie van een meerderheid van de helft plus één het zich kan veroorloven om met die solidariteit te breken of op zijn minst gevaarlijk verregaand te ondermijnen wat in de loop van een halve eeuw is opgebouwd, is uiterst twijfelachtig. Het komt in hoge mate neer op een eenzijdige opzegging van een sociaal contract. Doet het kabinet het toch, dan dient het in elk geval er de verantwoordelijkheid voor te nemen en zich ervoor te verantwoorden. Het dient er rond voor uit te komen dat het het leeuwendeel van de kunstenaars willens en wetens terug de armoede in stuurt.

Het enkele feit van de liberale opvatting volstaat net zomin als loze kretologie over de subsidie van Vincent van Gogh.

Willem Melchior is schrijver. Van hem verschenen onder meer Kindertijd (2007), Het lichaam bestaat niet (2009) en Lichaam der Smarten (2011).

    • Willem Melchior