Onder de pruimen

Pruimen komen in wanhopig makende hoeveelheden van de boom. En dan moet je meteen aan het werk. Pruimentaart, natuurlijk, maar die andere kilo’s dan?

De bel ging. Op de stoep stond iemand met een licht beschroomde glimlach en een emmer pruimen. „Of heb je zelf al veel te veel?”, vroeg hij. Hij had bij een vriendin geplukt die ‘echt onder de pruimen’ zat, zei hij, alsof het uitslag betrof. Dat gevoel kun je met pruimen gemakkelijk krijgen. Zijn ze eenmaal rijp, dan komen ze in wanhopig makende hoeveelheden van de boom en als je niet uitkijkt, doen ze dat zonder dat je er een emmer bijhoudt. Allerlei klein gedierte is er dan sneller bij dan de boombezitter en begint in die pruimen te boren en te smakken en te zoemen zodat ze voor menselijke consumptie bijna meteen na hun val onbruikbaar zijn geworden.

Maar menselijke consumptie kent ook zo zijn beperkingen als het om pruimen gaat. Wat doe je als consument met drie kilo pruimen, wat zeg ik: tien kilo pruimen? Pruimentaart, jawel, maar als je een pond pruimen in je taart weet te verwerken is het mooi. En hoeveel pruimentaart kun je op als er niet toevallig net een horde taartlustigen langskomt om ze weg te eten?

Pruimenjam is dan altijd het antwoord en dat is een mooi antwoord, maar niet helemaal bevredigend. Pruimenjam is wel een heel klein beetje saai.

Verder zijn pruimen weliswaar waanzinnig gezond en zitten ze barstensvol anti-oxidanten, maar ze werken ook laxerend, dus ál te veel pruimen eten moet niet aangeraden worden.

Hoe dan ook, mijn pruimenboom had nog maar net zijn eerste kilo klaar en ik accepteerde optimistisch gestemd de emmer vol pruimen. Meteen maar de eerste pruimentaart van het seizoen gebakken, een top-pruimentaart die elk jaar in de pruimentijd meerdere malen bij mij ter tafel komt. Ontleend aan de dames van River Café, en heerlijk, met sinaasappel en amandelen.

Wat heb jij eigenlijk voor pruimen? vroeg iemand. Redelijke vraag. Niet de groene Reine Claudes, dat is zeker, en ook geen kwetsen. Maar wat dan wel? „Lekkere pruimen”, zei ik vaag, maar dat is natuurlijk geen antwoord. Zeker vandaag de dag niet. Een beetje culinair onderlegd persoon weet altijd geweldig veel te vertellen over de herkomst van de verwerkte producten: dat het varken dat deze ham voortbracht een kruising is tussen een yorkshire en een duroc, dat het varken ’s zomers in de modder rolt die de ideale temperatuur van zeventien graden heeft bereikt, waarna het dier de aldus opgewekte eetlust stilt in een veld aardperen die op tien centimeter diepte zijn gepoot. De producent is een boer die een landbouwopleiding te Wageningen heeft genoten waarna hij besloot om op zandgrond te gaan boeren en nu - enz.

Ik overdrijf. Niet. Laatst in een restaurant ging het zo weer, bij de wijn: „Misschien mag ik eerst even vertellen dat deze wijn weliswaar uit Chili afkomstig is, maar daar geproduceerd werd door de kleinzoon van Franse wijnboeren. Zijn wijngaarden liggen op een zonnige helling met net dat tikje lava in de grond waardoor de fijne steensmaak en de uitgekiende zwavelbalans veroorzaakt wordt, de eikenhouten vaten waarin de wijn gelagerd werd, zorgen voor de onmisbare houttonen.”

Voor je een slok kunt nemen, weet je dingen over die wijn die je over je beste vrienden nog niet eens weet en die je, aangezien je gekomen bent om te eten en van je gezelschap te genieten, ook helemaal niet wilt weten.

Misschien moeten wij consumenten terugslaan tegen de praatgrage restaurateurs. Als zo iemand met een fles bij je tafeltje komt, meteen je mond opendoen en zeggen: „Voor u inschenkt, wil ik u even wat over ons vertellen. Ik ben directeur van een kleine schoenfabriek waar tachtig mensen werken aan eikenhouten tafels. De schoenen die ik draag, zijn afkomstig uit mijn fabriek en gemaakt van fijn kalfsleer dat soepel de voet omsluit en een perfecte balans bewaart tussen comfort en elegantie. Mijn vriendin hier is gekleed in een pakje van zuivere lamswol, afkomstig van lammeren die hele dagen grazen op de weidevelden van Patagonië, wat hun wol een speciale zachtheid bezorgt die hem uitermate geschikt maakt voor verwerking in elegant belijnde kostuums.” En dan blijf je zo iemand verwachtingsvol aankijken, net zoals zij dat doen, of je zegt royaal, helemaal in hun taal: „Geniet ervan, zou ik zeggen!”

Enfin, de vraag was: wat zijn dat dan voor pruimen? Het zullen wel opals zijn, een veelvoorkomend ras, vroeg rijp (eind juli, begin augustus), donkerrood van buiten en van binnen sappig geel vruchtvlees. Iedereen heeft ze zowat. Wie in deze tijd van het jaar een fietstochtje over het platteland gaat maken, komt gemakkelijk met kilo’s van zulke pruimen terug, voor geen geld. Vaak maar een euro de kilo, soms, bij de echt wanhopigen, geheel gratis.

Het enige nadeel van zo’n lading pruimen is dat pruimen erg slecht te bewaren zijn en niet narijpen. Dus het heeft geen zin nog niet helemaal rijpe pruimen te plukken om ze langer te kunnen laten liggen: rijper worden ze niet, alleen zachter. En na een dag of drie zijn de meeste al beschimmeld of vertonen rotte plekken. Dus wie pruimen binnenhaalt, moet meteen aan het werk.

Omdat ik toevallig ook net een bos wortelen uit een moestuin had veroverd, sprak een recept dat ik ergens op internet vond en meteen weer zoekmaakte, van pruimen en wortelen en sinaasappel me enorm aan. Uit het geheugen gemaakt en werkelijk: heerlijk. Ook fijn om iets van pruimen te maken wat niet meteen jam of taart is.

Voor echt enorme hoeveelheden, zoals die waarmee menige pruimenboombezitter nu te kampen heeft (de pruimenboombezitters hebben het lang zo makkelijk niet als vaak wordt gedacht), helpt zo’n gerecht natuurlijk maar nauwelijks. Die moeten de pruimentaarten invriezen (doe ik wel eens, daar kun je jezelf in de winter echt blij mee maken) en verder de pruimen op sterk water zetten: vanille brandewijn, eau-de-vie de prunes. Wat suiker toevoegen en de rest komt vanzelf: geurige, zoete drank als je het fruit een maandje of twee hebt laten staan.

Dus zeg ik, zoals P.C. Hooft tegen zijn vrienden van de Muiderkring zei: Tot ziens in de pruimentijd. (Het Muiderslot heeft nog steeds een enorme pruimenboomgaard waar iemand echt wel wat vrienden bij gebruiken kan.)

    • Marjoleine de Vos