Meer staat met minder geld!

De beurzen kelderen uit bezorgdheid over de schuldencrisis in Europa en de VS. Dit is een les voor links in Europa: schulden zijn rechts, ondermijnen de staat en voeden effectenmakelaars, betogen Marc Brost en Bernd Ulrich.

Illustratie Cyprian Koscielniak

Wie bij het thema ‘schulden’ denkt dat het louter om geld gaat, is naïef. In werkelijkheid gaat het om gevoel, macht, angst en eer. Met een beetje overdrijving zou je zelfs kunnen zeggen: schulden zijn de wiskundige uitdrukking van een metafysisch probleem. Het is, kortom, bittere ernst.

Het is bepaald geen toeval dat de afgelopen weken zowel Europa als de Verenigde Staten slechts ternauwernood wisten te ontsnappen aan de schuldenval die zij voor zichzelf hadden opgesteld. President Obama mag dan in zijn strijd met het Congres een beetje tijd hebben gewonnen, de schulden van Amerika zullen verder stijgen – ondanks de overeengekomen, gigantische bezuinigingen. In Europa mogen de regeringsleiders dan met een ultieme krachtsinspanning tot een tweede steunpakket voor Griekenland hebben besloten, de financiële markten gokken al weer op de volgende ronde. Alle hiermee samenhangende zorgen hebben de goudprijs doen stijgen tot een absolute recordhoogte.

Alle landen van de wereld hebben gezamenlijk ruim 39 biljoen dollar aan schulden. Vooral de extra schuldenlast drijft hen in het nauw. Tegelijkertijd moeten de regeringen steeds weer nieuwe miljarden opzijschuiven om ergens iets te redden: eerst wat banken, toen een paar ondernemingen en nu zelfs hele staten.

Het Westen heeft heel duidelijk een probleem. Dat probleem is een getal met veertien cijfers. Hoe zijn deze landen, die nog steeds de rijkste van de wereld zijn, hierin verzeild geraakt? Laten we eens beginnen met waaraan het niet ligt. Het ligt niet aan een links of rechts beleid. Zowel linkse als rechtse regeringen hebben de schulden laten oplopen. Het ligt evenmin aan de conjunctuur. Die was nu eens zus en dan weer zo, en aan het eind waren de schulden toch weer hoger. Het ligt ook niet aan de Europese verzorgingsstaat. Anders hadden de Verenigde Staten wel minder schulden gehad. Nee, er moet een oorzaak zijn die alle westerse staten gemeen hebben. Die oorzaak is eenvoudigweg de volgende. Sinds twee decennia bevindt het Westen zich relatief op de terugweg. Het automatisme van steeds meer rijkdom bij steeds minder of in elk geval niet méér arbeid is doorbroken. Daarvoor zijn vele oorzaken aan te wijzen. Hier hoeven slechts de opmars van de opkomende landen, de oorlog tegen de terreur en de door de ecologie getrokken grenzen te worden genoemd.

Beslissend is dat het hele Westen met deze nieuwe situatie niet uit de voeten kan, noch politiek, noch cultureel, noch individueel. Onze kinderen – zo veel weten wij wel al – zal het slechts beter vergaan als ze harder werken dan wij. Of we dat echt voor hen moeten willen, weten we dan weer niet. Daarmee is de grote deal van het westerse model definitief verleden tijd. Het inzetten op groei was zo ongeveer de minimumconsensus van westerse samenlevingen. Het vooruitzicht van voortdurende groei stelde ons gerust en slaagde wonderwel erin om grote sociale conflicten – wie krijgt welk deel van de koek? – niet eens aan de oppervlakte te laten komen. Groei betekende immers dat iedereen steeds meer kon krijgen. Des te beangstigender is het als deze groei uitblijft.

Daarom heeft het Westen deze werkelijkheid verdrongen en zichzelf een welstand voorgespiegeld die niet meer bestaat. Daarvan zijn die schulden het gevolg. Zij zijn het verdrongene. Dat keert steeds vaker en steeds heftiger terug.

Het schuldenprobleem staat heel terecht in het centrum van de politiek. Het is een van de belangrijkste slagvelden van de macht. Daarom is wat deze week in de Verenigde Staten is gebeurd een teken aan de wand, ook voor de Europese en vooral voor de linkse politiek. Het compromis dat op het laatste moment werd gesloten, was een grote zege voor de Republikeinen en niet alleen vanwege de tactische voordelen die zij konden behalen tegenover Obama. Het was vooral de brutaliteit die heeft gezegevierd. Hoewel de Republikeinen in hun regeringstijd enorme schulden hebben opgebouwd – door de uitgaven aan door hen gestarte oorlogen en door belastingverlagingen voor de rijken – zijn ze erin geslaagd om Obama te brandmerken als schuldenkoning, ook al is hij nog maar tweeënhalf jaar aan het bewind.

Het is de Republikeinen vooral gelukt om het op zichzelf verstandige doel om de schulden in toom te houden met hun irrationele antistaatsideologie te torpederen. Daarbij bestaat er geen dwingend verband tussen de hoogte van het staatsaandeel van het bruto binnenlands product – de zogenoemde collectieve lastendruk – en schulden. Het is heel goed mogelijk om bij een lastendruk van 40 procent helemaal geen nieuwe schulden te maken. Linkse politieke partijen moesten echter een sterke staat met weinig schulden propageren. Dat is ze niet gelukt. Ze hebben het niet eens echt geprobeerd.

Vanwaar deze onbegrijpelijke brutaliteit? Waarom heeft deze neoliberale ideologie gezegevierd?

Om dat te kunnen doorgronden, moeten we drie jaar teruggaan, naar het najaar van 2008. Toen brak de financiële crisis uit. Niet alleen de banken stonden voor een ineenstorting, maar het hele mondiale economische systeem wankelde. In de Verenigde Staten was het verkiezingstijd. De natie ontbeerde leiderschap. Obama beloofde redding. Dat betekende het uitgeven van geld om banken en daarna de auto-industrie te nationaliseren. Redding betekende het maken van nieuwe schulden, om de economie te ondersteunen en om zo veel mogelijk arbeidsplaatsen te behouden. Wereldwijd gaven landen meer dan 15 biljoen dollar uit om de crisis te bestrijden. Nooit eerder werd in zo’n korte tijd zo veel geld uitgegeven. Nooit eerder werden zo snel zo veel nieuwe schulden gemaakt.

Daarbij komt dat het idee van deficit spending – het uitgeven van geld dat je feitelijk niet hebt – in deze situatie bij hoge uitzondering het juiste was. Als niemand meer iemand anders vertrouwt, niemand meer geld durft uit te lenen en ook niemand meer iets koopt, moet de staat ingrijpen om de economie in leven te houden. Anders gebeurt er helemaal niets meer. Het dilemma was alleen dat terwijl de ene crisis werd bestreden, een volgende – veel grotere – werd veroorzaakt.

Een land kan niet failliet gaan, werd steeds gezegd. Een land zou steeds weer aan nieuw kapitaal kunnen komen, door de uitgifte van nieuwe obligaties. Op dit moment gebeurt het ongelooflijke alsnog. Uit de financiële crisis is een mondiale schuldencrisis voortgekomen. Deze bedreigt landen. Zij kunnen niets anders dan deze crisis bestrijden met steeds weer nieuwe schulden. Opeens wordt duidelijk dat landen wel degelijk failliet kunnen gaan, zoals Griekenland. Opeens doet zelfs Amerika zijn best om solvabel te blijven. Het Britse weekblad The Economist heeft een wereldkaart van de schulden gepubliceerd. Landen met hoge schulden zijn roodgekleurd en landen met lage schulden groen. Het Westen is een dieprood blok.

In deze situatie heeft Obama een strategische fout gemaakt. Op het hoogtepunt van de financiële crisis is hij verbaal te nonchalant omgegaan met de schulden. Hij bekritiseerde andere landen omdat ze te weinig schulden zouden hebben en vergat om een mondiale alliantie in het leven te roepen voor de tijd na de crisis – en voor het sparen. Wat voor signaal zou het zijn geweest als Obama, die in de Amerikaanse politieke verhoudingen geldt als voorvechter van een sterke staat, zich zou hebben opgeworpen als leider van de antischuldenbeweging! Dat hem dat niet is gelukt, heeft te maken met een in historische zin bijzondere relatie tussen linkse politiek en schulden.

Het is geen politieke natuurwet dat uitgerekend links voorstander is van het maken van schulden. Dit is veeleer de tegenreactie op het economische beleid van conservatieven. Rechtse partijen zeggen bij elke economische crisis dat de staat zich niet veel meer kan veroorloven. Ze eisen afbraak van sociale voorzieningen. Om deze bezuinigingen te verhinderen, wil links nog meer schulden creëren bij een crisis. Alleen op deze manier kan de verzorgingsstaat behouden blijven, in linkse optiek.

De kwestie gaat nog dieper. Neoliberalen hebben een erotische verhouding tot sociale verschillen. Voor liberalen zijn deze een viering van hun eigen prestaties. Voor religieuze mensen vormen ze ook een openbaring van goddelijke gerechtigheid. Voor sociaal-democraten zijn sociale tegenstellingen daarentegen pijnlijk. Ze zouden die verschillen het liefst opheffen, overigens zonder hun eigen, bevoorrechte positie in gevaar te willen brengen. Omdat linkse partijen het niet meer aandurven om het benodigde geld bij de rijken weg te halen, moeten ze zich in de schulden steken om sociale achterstelling te kunnen compenseren.

Het eigenlijke drama van links is bovendien dat het maken van schulden weliswaar voor links beleid doorgaat, maar dat het altijd weer conservatieve regeringen zijn geweest die nog meer nieuwe schulden opbouwden. In de Verenigde Staten waren het Republikeinse presidenten die het probleem hebben verergerd, met steeds weer nieuwe belastingverlagingen. De zin deficits don’t matter (tekorten zijn onbelangrijk) is niet van econoom J.M. Keynes, maar van Dick Cheney, vicepresident van de Verenigde Staten onder George W. Bush.

Als rechtse partijen schulden maken, lijkt dat altijd weer toeval of een vergissing te zijn. Ze wilden ‘alleen maar’ de belastingen verlagen, om de burgers te ontlasten. Voor links, dat strijdt voor behoud van de verzorgingsstaat, wordt het maken van schulden gezien als typerend – als iets wat genetisch of in elk geval ideologisch is, of zelfs iets opzettelijks.

Tot deze – ietwat verwrongen – verhoudingen hoort de omgang van linkse en rechtse politici met de economische theorie van het maken van schulden, het keynesianisme. De Republikein Richard Nixon bekende in 1971: „Ik ben nu een keynesiaan.” Zijn alle perken te buiten gaande schuldenbeleid heeft ertoe bijgedragen dat dit keynesianisme voor langere tijd in een kwaad daglicht kwam te staan. Daarna volgde het tijdperk van de neoliberale denkschool – van het geloof in de zelfreinigende kracht van de markt. Die heeft alle regeringen in de hele wereld ertoe gebracht om de belastingen steeds verder te verlagen en daarmee de staat nog verder te verzwakken.

Feitelijk geldt Keynes ten onrechte als een voorvechter van hoge begrotingstekorten. Hij gaf regeringen louter het advies om de economie te stimuleren met hogere overheidsuitgaven als ze in een diepe crisis zou belanden. Wel moesten die landen vooral alles doen om te voorkomen dat het überhaupt zou komen tot zo’n gevaarlijke schok .

Vooral linkse politici hebben zich snel het eerste deel van Keynes’ theorie – het maken van schulden tijdens een crisis – eigengemaakt. Hun beroep op Keynes was een camouflage voor hun eigen neiging om schulden te maken. Rechts heeft zich daarentegen niet op Keynes beroepen, maar op de ideologie van de belastingverlaging. Het gevolg was hetzelfde: steeds meer schulden. Toch werd het tekortschieten van vrijwel alle politici bij het afbouwen van deze schulden en daardoor bij het tweede deel van de theorie van Keynes – sparen, hervormen en voorzorgsmaatregelen nemen – met succes alleen links in de schoenen geschoven. Ondertussen hebben zich in het Westen zo veel schulden opgehoopt dat voor conjunctuurbevorderende bestedingsprogramma’s vrijwel geen speelruimte meer bestaat. Je zou kunnen zeggen dat het ‘valse’ Keynesianisme de basis heeft ondermijnd voor de juiste Keynesiaanse aanpak.

Dit is een historisch keerpunt, of het nu gaat om een nieuwe verhouding tussen links en het maken van schulden of om de strategische neergang van links. In de afgelopen jaren zijn er nog drie belangrijke bedenkingen bijgekomen tegen het maken van schulden. Er is het praktische argument – des te hoger het aandeel van de rentelasten in de staatshuishouding, des te kleiner de speelruimte voor de politiek om te investeren en om iets op poten te zetten. Een staatshuishouding met hoge vaste lasten leidt ertoe dat de politiek zich slechts kan bezighouden met het beheer. In de tweede plaats is er het ecologische argument – schulden belasten toekomstige generaties, net als de roofbouw op de natuurlijke hulpbronnen en de milieuvervuiling en degenen die zich daartegen niet kunnen verweren. In de terminologie van links: de zwakkeren.

Bovenal is er door de financiële crisis nog een argument – en voor links het allerbelangrijkste – bijgekomen: een land dat vandaag de dag schulden maakt, kan zich niet wenden tot zijn huisbank en worden geconfronteerd met een serieuze en bij twijfel staatsondersteunende gelovige. Nee, zo’n land moet zijn hand in de muil van de leeuw steken en zich uitleveren aan kredietbeoordelaars, beurzen en hedgefondsen (en aan de Chinezen, maar dat maakt het er niet beter op). Schulden ondermijnen de staat. Ze maken van politici de loopjongens van de banken en de noodhulpverleners van de markten. Ze vernederen politiek en democratie.

Als links erop wacht dat de wereld eindelijk het onrecht onder ogen ziet dat rechts de schulden maakt waarvoor links vervolgens verantwoordelijk wordt gesteld, kan het lang wachten. Zijn enige kans is een revolutionaire houding tegenover het maken van schulden. Wie een sterke staat wil behouden en wie het primaat van de politiek tegenover economie en beurs wil veiligstellen, moet begrotingsdiscipline niet zien als noodzakelijk kwaad, maar als een centraal doel en een kernbelang. Links moet begrijpen dat schulden rechts en conservatief zijn – dat ze de staat ondermijnen en beursmakelaars voeden.

Uiteraard kan niet worden volstaan met een nieuw begrotingsbeleid. Als met het maken van schulden korte metten wordt gemaakt, zal dat zijn uitwerking niet missen op alle beleidsterreinen. Vooral links heeft zich eraan gewend dat problemen altijd kunnen worden opgelost met meer geld, maar minder groei betekent ook dat er minder te verdelen is en dat de samenleving met minder geld moet zien rond te komen – of meer strijd tegemoet kan zien over de verdeling van beschikbare middelen.

Het kan liberale staatsverachters weinig schelen als schulden nog verder groeien. Dan kunnen ze daarna des te beter met stevige bezuinigingsdrang de staat inperken en de sociale voorzieningen kortwieken – en weer zal links de schuldige zijn.

Marc Brost en Bernd Ulrich zijn journalisten van het Duitse weekblad Die Zeit. © Die Zeit

    • Bernd Ulrich
    • Marc Brost