In Irak wemelt het nu van de mini-Saddams

Irak had na de val van Saddam Hussein de modelstaat in het Midden-Oosten moeten worden. Acht jaar later zijn er voortdurend demonstraties tegen corruptie, wanbeleid en werkloosheid. ‘Beloften, verder komen politici niet.’

Demonstranten tegen de regering klauteren op de betonnen muur die de zogenoemde Groene Zone en het hoofdkwartier van de internationale troepenmacht afscheidt van de rest van de Iraakse hoofdstad Bagdad. Foto AP Iraqi anti-government protesters climb and push concrete blast walls leading to the heavily guarded Green Zone during a demonstration in Baghdad, Iraq, Friday, Feb. 25, 2011. Thousands marched on government buildings and clashed with security forces in cities across Iraq on Friday, in the largest and most violent anti-government protests here since political unrest began spreading in the Arab world several weeks ago. (AP Photo/Hadi Mizban) ASSOCIATED PRESS

De aanslag op Karwan Kamal komt een week nadat we tijdens een maaltijd in een vrolijk verlichte restauranttuin in Sulaymaniyah een lijst met tweehonderd namen van Iraaks-Koerdische activisten hebben besproken. Op het menu stond kipkebab, zoals elke dag. De temperatuur was tot aangename waarden gedaald. De namen van verscheidene aanwezigen bleken bovenaan de lijst te staan, ook die van Karwan Kamal, een advocaat. „Ons leven is in gevaar”, zei de filosoof Faruq Rafeq, een van de drijvende krachten achter wekenlange demonstraties in Sulaymaniyah tegen corruptie en dictatuur van de autonome Koerdische regering. Die demonstraties zijn intussen door de overheid in geweld gesmoord.

Een week later kreeg Kamal twee kogels in zijn voet. Later mailt hij dat de inlichtingendiensten van de plaatselijke autoriteiten de aanslag in verband proberen te brengen met eerwraak. „Ik zou verliefd zijn op iemands zuster of vrouw en haar echtgenoot of broer volgde me en schoot me neer. Je weet”, schreef Kamal, „dat eerkwesties levensgevaarlijk zijn in de Midden-Oosterse maatschappij en in de Koerdische helemaal. Eerst hebben de autoriteiten geprobeerd mij fysiek uit de weg te ruimen, nu willen ze me ook in mijn gemeenschap doden.”

Irak moest in 2003 het land worden van waaruit democratie zich over het hele, autoritair geregeerde Midden-Oosten zou verspreiden. De omverwerping van het regime van dictator Saddam Hussein zou het begin zijn van het vertrek van al die andere vastgeroeste autocraten, beloofden de Amerikaanse president Bush en de Britse premier Blair voor ze de oorlog tegen Saddam ontketenden.

Maar als Irak de andere Arabische landen één les leert, is het dat de val van een regime geen enkele reis naar democratie is. Acht jaar later zijn burgers in Irak, of ze nu Koerdisch zijn in het autonome noorden of Arabisch in de rest van het land, net als elders in het Midden-Oosten in opstand gekomen tegen corruptie, wanbeleid, werkloosheid, nepotisme en onderdrukking. In Koerdistan hebben de autoriteiten de protesten onderdrukt; in Bagdad werd vrijdag opnieuw geroepen om het opstappen van premier Nouri al-Maliki.

Irak heeft na Saoedi-Arabië en Venezuela de grootste bewezen oliereserves in de wereld, maar door de reusachtige overheidscorruptie – een parlementslid beweerde dat 259 miljard dollar is zoekgeraakt sinds 2003 – ziet de bevolking daar weinig van terug. Maliki en de Koerdische president Barzani hebben verandering beloofd, maar niemand gelooft er nog in. Mensen verzuchten dat Saddam Husseins val geen democratie heeft opgeleverd, maar tientallen mini-Saddams.

Het is niet zozeer dictatuur, zegt Shwan Mohamed Mahmoud, hoofdredacteur van de onafhankelijke Koerdische krant Awena. „Maar on-democratie. Ondoorzichtigheid. Corruptie. Democratie is niet alleen vrije verkiezingen, het is een cultuur. Het gaat om mensenrechten en, heel belangrijk, de mogelijkheid van verandering. Die is er hier niet.”

Bij de demonstraties in Sulaymaniyah, die half februari begonnen en zestig dagen later werden neergeslagen, vielen tien doden. Het Metrocentrum ter bescherming van journalisten telde 230 gevallen van agressie tegen de pers: arrestaties, mishandeling, vernieling van camera’s. „Sommige zijn het werk van betogers, zegt journalist Rahman Garib, die het aantal incidenten bijhoudt. „Maar voor de rest zijn de autoriteiten verantwoordelijk: politie, veiligheidsdiensten, leger. Bij demonstraties gingen ze eerst de pers te lijf.”

In de Koerdische hoofdstad Arbil verijdelden de autoriteiten elke demonstratie doormet een massale aanwezigheid van politie in burger. Daar werd activist Hemn Fared al in elkaar geslagen omdat hij in een vraaggesprek met een Koerdische televisiezender had gezegd dat de autoriteiten betogingen zouden moeten toestaan. „Toen we wegreden na het interview versperden een paar auto’s ons de weg en vijftien mannen sloegen ons met stokken in elkaar. Een van mijn vrienden werd ernstig gewond.”

Arbil is de laatste paar jaar de lucht in geschoten. Overal staan kantoren en dure hotels in aanbouw. Turkse bedrijven bouwen ze. Ze nemen hun eigen arbeiders mee, wat bijdraagt aan de werkloosheid onder de plaatselijke bevolking. Jonge Koerden zoeken werk bij hun overheid: die biedt zekerheid tot de oude dag. Maar die overheid is in het noorden van Koerdistan de Koerdische Democratische Partij (KDP) van regionaal president Masoud Barzani, en in het zuiden de Patriottische Unie Koerdistan (PUK) van Iraaks president Jalal Talabani, die samen regeren. Zij verdelen de gewilde ambtenarenbanen onder hun eigen aanhang. De PUK heeft bij de vorige verkiezingen stemmen verloren aan de nieuwe partij Goran (verandering). Maar Goran verliest aanhang: geen banen te verdelen.

„Sta je buiten de regering in het Midden-Oosten, dan verlies je je aanhangers”, zegt Badran Habeeb, ex-communist, nu kritisch KDP-lid en hoofdredacteur van het onafhankelijke persbureau AK in Arbil. „Als je niet aan de macht bent, kun je je aanhangers niet belonen met banen, huizen en studiebeurzen en dan verlies je hun steun. De partijen aan de macht gebruiken de staatseigendommen om hun greep op de macht te bestendigen. De Koerdische oppositie heeft zich gerealiseerd dat oppositie de dood betekent. Ze onderhandelen nu over een groot aandeel in de macht.”

De autoriteiten onderstrepen hun eigen redelijkheid en bagatelliseren het protest. Neem Fawzi Hariri, in het eerste kabinet-Maliki minister van Industrie, nu stafchef van de Koerdische premier Barham Saleh in Arbil. Sommige groepen betogers in Sulaymaniyah, zegt hij, hadden zeer aanvaardbare eisen. Bijvoorbeeld ontheemden die huisvesting eisten. „Maar de straat opgaan en de situatie hier vergelijken met die in Egypte onder Mubarak of Tunesië onder Ben Ali, hoewel we hier vrije en eerlijke verkiezingen hebben, dat was oneerlijk!”

Hariri erkent dat veel van de problemen elders in het Midden-Oosten ook in Irak spelen. „Op een veel kleinere schaal. Tegelijk zijn er problemen in al die landen die hier niet bestaan. Namelijk vrijheid van meningsuiting. Elke partij hier heeft een stem, ze hebben media. In tegenstelling tot elders. De Koerdische oppositie heeft een kwart van de parlementszetels, ook in tegenstelling tot andere landen. Werkelijk, het is oneerlijk om te zeggen dat alles hier heel slecht is. In de Koerdische regio zijn grote successen geboekt, zeker als je denkt aan de recente geschiedenis van dit land. We hebben een rustige oase gebouwd. Maar we moeten het zeker beter doen aangaande de levensstandaard.”

„De mensen hebben vrijheid van meningsuiting. Maar je kunt een dag, twee dagen betogen om je punt te maken, dan moet je terug naar je studie, naar je werk. Dit is een fragiele economie. Die mag niet worden geschaad. Ja, de mensen maakten hun punt en wij noteerden dat, maar dan moeten ze ophouden en moeten wij veranderingen beginnen. Ze moeten niet het leven van gewone mensen beïnvloeden.”

In de bazaars van Arbil bevestigen de handelaren dat de demonstraties slecht waren voor de economie. De mensen stopten twee maanden met kopen, zeggen ze.

Maar de jonge Rebaz, die ’s ochtends dierenarts is en ’s middags bijverdient in jeanswinkel Dania in de overdekte nieuwe bazaar – „het leven is duur” – vond de demonstraties juist heel goed om de regering wakker te schudden. „De regering heeft haar best gedaan, maar het is niet goed genoeg. Elektriciteit en drinkwatervoorziening zijn niet in orde, er is te weinig werk, de overheid is corrupt.

„Nu moeten we de regering een kans geven om te veranderen. Als ze dat niet doen, moeten we protesteren zoals in Tunesië en Egypte.”

Badran is daarvan een fel tegenstander. „Straatprotest is een gevaarlijk spel. Je kunt er ook legitieme regeringen mee omverwerpen. Europese regeringen krijgen er nu ook mee te maken. Dergelijk protest is niet gewettigd omdat hier de mogelijkheid van verandering door verkiezingen is. We moeten werken aan de transparantie van de verkiezingen. Er is geen alternatief voor democratie, ook al zal verandering misschien twintig jaar vergen.”

In de shi’itische heilige stad Najaf liggen alle straten open. Er wordt aan een nieuwe riolering gewerkt. In de zomerhitte wolkt het stof op als auto’s zich door het zand een weg banen. Op een plein staan de uitgebrande wrakken van een paar autobussen, de overloop van een naburig autokerkhof. In het midden bevindt zich een grote generator. Omdat de overheid er nog steeds niet in is geslaagd voldoende netstroom te genereren, heeft zij overal generators neergezet om in de tekorten te helpen voorzien. De bevolking gelooft er nauwelijks meer in dat er ooit 24 uur per dag stroom zal zijn zonder de hulp van eigen en door de staat ter beschikking gestelde generators. „Een straf van God”, noemt een handelaar de elektriciteitsproblemen.

Net als in Arbil staan in Najaf overal gebouwen in de steigers. Hotels, om de reusachtige toevloed van pelgrims uit Iran en Libanon te herbergen, nieuwe regeringskantoren en musea. Najaf, dat de schitterende Gouden Moskee van imam Ali herbergt, is volgend jaar culturele hoofdstad van de islamitische wereld, met een budget van een half miljard dollar. Maar niemand in de stad die gelooft dat al die gebouwen op tijd klaar zullen zijn. Corruptie, zeggen de bazari’s: de gouverneur heeft de opdrachten gegund aan zijn eigen bouwbedrijven.

In haar schoonheidssalon in Najaf doet Esmet Ebtikal Hussein wat ze van kinds af aan heeft willen doen: andere vrouwen mooi maken. Buiten op straat in de shi’itische heilige stad zijn alle vrouwen van top tot teen in het zwart gehuld, maar dat wil niet zeggen dat ze zich niet opmaken, voor thuis of voor vrouwenfeesten.

Hussein is trots op haar stad, het is een goede stad, zegt ze, met zijn religieuze scholen en de Imam Ali moskee. Maar ze is niet te spreken over de overheid. Ze heeft op de fundamentalistisch-shi’itische partij van de ayatollahfamilie Hakim gestemd, maar de volgende keer niet meer. „Beloften, beloften”, zegt Hussein, verder komen de politici niet. ,,Iedereen bij de overheid denkt alleen aan zichzelf en zijn eigen zakken.”

Ze verwoordt de klachten van veel inwoners van Najaf, op welke partij ze ook hebben gestemd. Ook hier zijn mensen de straat opgegaan om hervorming te eisen, al lijkt de woede minder fel dan bij de Koerden in het noorden. „Omdat we ons de onderdrukking onder Saddam Hussein beter herinneren”, zegt een neef van Hussein die erbij komt zitten. De Koerden ontworstelden zich de facto al in 1991 aan Saddams greep. „En we leven hier nu in vrede in Najaf, het is hier veel veiliger dan in Bagdad. Dat is heel belangrijk.”

Sadiq al-Libban, onafhankelijk parlementslid onder de vleugels van premier Maliki’s Dawapartij, is vandaag uit Bagdad teruggekeerd in zijn woning in Najaf. Na het begin van de demonstraties heeft Maliki de parlementsleden opgeroepen vaker naar hun district te gaan en de ongenoegens van hun kiezers te peilen.

Maar het is Libban die ontevreden is over zijn kiezers. Corruptie? Ja, er is corruptie, maar lang niet zoveel als iedereen nu zegt. „Ik ben geen werkelijke corruptie tegengekomen”, verklaart hij. Demonstraties? Hij respecteert alle betogers, maar neem nu de eisen van meer overheidsbanen. Nu gaat 70 procent van het budget naar de overheid en 30 procent naar investeringen, dat zou omgekeerd moeten zijn. „In Amerika zijn er 700.000 ambtenaren op 250 miljoen burgers. Hier hebben we 5 miljoen ambtenaren op 26 miljoen inwoners.”

Een hoop mensen klagen altijd maar, meent Libban. „Bijvoorbeeld, ik wil een miljoen bomen planten in Najaf om de stad mooier te maken en de burgers sterker, positiever, optimistischer. We hebben de mensen gevraagd hun straat op te ruimen bij hun huis en dan zorgen we voor bomen. Maar ze willen niet helpen. De mensen klagen, maar ze willen niet helpen.”

Hij respecteert alle demonstranten, zegt hij nog eens, en hij luistert naar ze, maar kan hij hun morgen elektriciteit beloven? En het is natuurlijk ook zo dat Saddam Husseins Ba’athpartij er een rol in speelt. „Met buitenlands geld, met als enige taak problemen te maken.”

Aan de eettafel in Sulaymaniyah in het noorden zegt activiste Nasik Kadir dat ze persoonlijk nooit geloofde in het nut van demonstreren. „Maar ik had er genoeg van. Als het bloed van Koerden wordt vergoten, wordt een grens overschreden. De autoriteiten respecteren de mensen niet. In andere landen heet dat een dictatuur.”

    • Carolien Roelants