'Ik sta open voor melancholie'

Drs P. (91) zoekt onder het genot van zwarte koffie en sigaren in zijn geheugen. ‘Het vergt branie jezelf te presenteren.’

Roken beschouwt Drs. P. niet als een verslaving. Wel als een gewoonte vergelijkbaar met het drinken van alcohol.

Aangezien iedereen het vraagt, geef ik het antwoord maar meteen: ja, hij leeft nog. Eerlijk is eerlijk, een paar weken geleden had ik ook niet durven zweren dat Drs P. nog onder ons was. Maar ik zag hem toevallig lopen, op de Prinsengracht in Amsterdam, samen met zijn vrouw. Zo gek, je hart maakt acuut een huppeltje. Vreemd soort herkenning. Deze heer op leeftijd, met zijn zijscheiding en zijn bril, zit in bijna alle Nederlandse geheugens. Onwillekeurig hummen we zijn liedjes (‘Trojka hier, trojka daar’) en dan zien we in gedachten een studentikoze meneer achter de piano, die spitsvondige liedjes ten gehore brengt.

Deze maand, op 24 augustus, wordt Heinz Hermann Polzer (het alter ego van Drs P.) 92. Zijn nieuwste boek, Kijkvoer & Leesgenot verschijnt ook deze maand en in het najaar volgt een boek met acht cd’s, Compilé Complé, waarop tweehonderd liedjes staan. Optreden doet hij al zestien jaar niet meer, maar hij maakt nog elke dag een vers.

Dus ja, hij kan wel stellen dat hij nog leeft. Al had dat wat hem betreft bepaald niet gehoeven. De jaren na de tachtig, zal hij strakjes zeggen, vormen niet meer dan een aanhangsel van het leven. „Er zou van overheidswege zo spoedig mogelijk een regeling moeten komen waarbij de tachtigjarige van harte wordt gefeliciteerd. En sterft.” De afgelopen tien, twaalf jaar van zijn leven zijn er ongetwijfeld plezierige momenten geweest. „Maar niet zo onvergetelijk dat ik u er nog iets over vertellen kan.” Geen scherpe observaties meer, of scherpzinnige commentaren. Wat rest zijn eloquente flarden herinnering. De schaduw van een levend erfstuk.

Hij belt me op, nadat hij mijn verzoek de lunch met hem te mogen gebruiken per post heeft ontvangen. Van internet is hij afkerig en voor telefoneren hoort hij te slecht. We spreken af waar hij gewoon is af te spreken: in de tuin van het Pulitzerhotel, aan de Prinsengracht. Drie uur lijkt hem een uitgelezen tijdstip. Niet geheel toevallig is dat ook het uur waarop hij dagelijks, op zijn vaste rondje door de stad, het hotel passeert. Dat er van lunchen geen sprake zal zijn, neem ik voor lief. Zijn routine is nu zijn levenspad.

Hij wacht me op in de foyer van het hotel en begeleidt me behoedzaam door de glazen deuren naar de tuin. Of ik plaats wil nemen naast zijn linkeroor, want het rechter is zo goed als doof. Die dictie, dat archaïsche taalgebruik, die rollende ‘r’ en de in de verte hoorbare zachte Gelderse ‘g’. Heinz Polzer kiest zijn woorden zo zorgvuldig dat het lijkt alsof hij ze eerder instudeerde. Speelt Heinz Polzer Drs P., of was hij hem altijd al? Hoor hem eens de hoteltuin bezingen: „Behaaglijk is een te zwakke term voor deze ambiance. Deze tuin met zuurstof en gevogelte en al die andere tuineigenschappen is zonder meer het perfecte oord in Amsterdam, op vijf minuten lopen van mijn huisadres. Reeds lange tijd is het mijn ijzeren gewoonte bezoek alhier te ontvangen.”

Hij bestelt een koffie. Zwart. Hij neemt een sigaar en ik roep een vraag in zijn oor. Een makkelijke, om mee te beginnen. Hoe hij ooit in Amsterdam terechtgekomen is. Hij is geboren in Zwitserland, zijn ouders scheidden op zijn derde en hij verhuisde met zijn moeder, broer en zus naar Velp. Later studeerde hij economie in Rotterdam. Hij luistert aandachtig naar de vraag en zwijgt. Zegt dan: „Wel.” Zwijgt weer. „U boort een ver verleden aan. Sta mij toe even over uw vraag na te denken.” En hij verdwijnt om te zoeken in zijn geheugen. „Een jaartal zou ik niet kunnen noemen.” Maar hij vermoedt dat hij ergens halverwege de vorige eeuw hierheen is getrokken om te werken als copywriter.

Nu het skelet van zijn herinnering eenmaal staat, kan hij het verder inkleuren. En ineens zit ik middenin een aflevering van Mad Men, de Amerikaanse televisieserie die zich afspeelt op een reclamebureau in de jaren zestig. Heinz Polzer is in de veertig, succesvol bedenker van „slogans en waarderende teksten” bij reclamebureaus in binnen- en buitenland. Op het Amsterdamse kantoor krijgt hij kennis aan een secretaresse, tien jaar jonger dan hij. Ze gaan met enige frequentie met elkaar uit. Op zijn vijfenveertigste verjaardag trouwt hij haar, omwille van zijn ouders en ook omdat hij „ruimschoots de leeftijd had voor een dergelijke verbintenis”.

Kort na hun huwelijksdag betrekken ze het appartement op de tweede verdieping van de Keizersgracht waar ze nog steeds wonen. Kinderen hebben ze niet. Heinz Polzer wil niet gezegd hebben dat hij kinderen haat, hij gaat er alleen niet graag mee om. „Kinderen, behoudens zuigelingen en kleuters, zijn in feite wreed. Zo rond hun twaalfde, veertiende ronduit pesterig.” Hem staat nog voor de geest hoe hij als jongeling het leven van de leraar zuur maakte. „Een van ons hief een gezoem aan, steeds meer klasgenoten vielen bij. Tot de man knettergek werd.” Hij rilt. Laatst las hij in de krant over een stel bejaarde personen die door jongeren tegen de grond geslagen waren. „Barbaars.”

Reclamebureau

Hij wenkt de serveerster. Vraagt om nog een koffie en voor de dame een thee. Mijmert, broedt en suddert net zolang tot er weer iets noemenswaardigs uit zijn geheugen boven borrelt. „Ik heb lang alleen geleefd. Daar heb ik niet de minste spijt van. Alleen zijn is een weelde.” Hij stuit op zijn jaren op het reclamebureau van Unilever in Indonesië. Zijn reizen naar China, Japan, Cambodja. „Ik ben er bijna zeker van dat ik na mijn studie bij Unilever heb gesolliciteerd, maar een kantoorbaan zweepte mij niet op. Ik had een vlotte hand van schrijven en verhuisde naar het reclamebureau.” Heinz Polzer kwam te werken op de standplaats in Indonesië. „Aldaar was een grote Nederlandse kolonie met eigen kranten.” Hij verzon de teksten voor cosmetica, zepen, schoonmaakmiddelen. „Remia duikt bij me op. Een braadolie.” In Indonesië had hij een royaal salaris, een gerieflijke woning, een automobiel en een Engelse baas die hem niet dwong tot „clichématige reclametaal”, maar hem toestond speels te zijn. „Ik gebruikte vaak de Pantoen, een Indonesische traditie. Eerst zegt iemand, in versvorm, een paar regels van algemene aard. Zo van: de zon verdwijnt, en de maan verschijnt. En dan haakt een ander daarop in en past de algemene regels toe op het eigen leven. En ik verzon dan een tekst die uitdraaide op Blue Band.”

Als reclameman oefende hij de stijl die hem later als liedjesschrijver zo herkenbaar maakte: „Hoe kun je iets wat literair en hoogdravend aandoet zodanig manipuleren dat het terechtkomt bij een huishoudelijk product.” Hij kon het. Poëzie inzetten om de lof van lof en andijvie te bezingen. „Op school was ik al gegrepen door het fenomeen taal. Tussen haakjes kan ik u meedelen dat de Nederlandse taal in mijn ogen superieur is. Ongehoord rijk en lenig.” Neem zijn favoriete versvorm: het ollekebolleke. Een strenge versvorm die bestaat uit twee maal vier regels, die rijmen aan het slot. Met een vast metrum en, verplicht, één los woord dat uit zes lettergrepen bestaat. Probleemloos diept hij een voorbeeld op en dicteert tot op de komma’s en punten precies:

‘Ontucht op Walcheren?’

Akelig! Zedeloos

God is ontdaan en vertoornd

en voor straf

stuurt hij terstond op de

Westpolynesiërs

(foutje, weet hij veel)

natuurrampen af

Elke dag verzint hij er één. Aangestoken door iets wat in de krant heeft gestaan, een aardig woord dat hij ontdekt. Hij schrijft het vers zo netjes mogelijk op en stuurt het naar Michèl de Jong, zijn „zeer vaardige” co-auteur van wie hij vermoedt dat hij rond de dertig is en die zijn liefde voor deze versvorm deelt.

Het sigarendoosje is leeg. „Maar ik ben niet onmachtig.” Hij tast in de zakken van zijn donkerblauwe jasje en presenteert een pakje Kent-sigaretten. Roken, zegt hij, beschouwt hij niet als een verslaving. Wel als een gewoonte vergelijkbaar met het drinken van alcohol. „Ik ga me er niet aan te buiten, maar ik schuw het niet.”

Hij komt terug op de vergelijking met Mad Men. Hij heeft de serie aangekondigd zien staan in de televisiegids, maar nooit gezien. „Ik kan u mededelen dat de sfeer en de ambiance in ons reclamekantoor absoluut ontspannen was. Maar woeste feestjes vonden niet plaats. Ik had de vrees dat de Amerikaanse serie buitensporig zou zijn.”

Van schunnigheid heeft hij zich altijd verre gehouden. Nu ja, als student deed hij misschien onbetamelijke dingen, maar het heugt hem niet dat hij ooit iets serieus pornografisch heeft vervaardigd. Wat hem wel heugt: het stukje dat hij maakte voor Hermes, het blaadje van het Rotterdams Studenten Corps waaraan hij meewerkte. Hij dicteert het artikel woord voor woord. „Dolf en Ben. Dat was de titel. En dan: ‘Voor de klei-ne-ren’. Met streepjes ertussen, want het was bestemd voor een zeer onrijp publiek. En dan: ‘Dolf en Ben waren dikke vriendjes. Zij haalden samen heel wat kat-te-kwaad uit. Zij gingen zomaar in de tuinen van iedereen en aten alles op.” Hij ondertekende met: Tante Pollie.

„Enfin.” Hij pauzeert. „Daags na publicatie arriveerde de Grüne Polizei bij mijn ouders in Velp om mij in hechtenis te nemen. Een scherpzinnig man had ontdekt dat dit verhaaltje weleens over Adolf [Hitler] en Benito [Mussolini] kon gaan.” Hij kreeg zes maanden gevangenisstraf, uit te zitten in Scheveningen. „U zult verbijsterd zijn, maar ik herinner me die tijd als vrij plezierig.” Het gevangenispersoneel was overwegend anti-Duits en behandelde de gevangenen goed. „Ik zat niet alleen, dat was jammer. Ik deelde de cel met drie mensen, van wie twee landarbeiders uit Groningen en één wijsneus uit Rotterdam die ik niet erg mocht.”

Ik vraag hem hoe het zo kwam dat hij van student en reclameman ineens artiest werd. In 1964 maakte hij zijn televisiedebuut in de show van Willem Duys, voordien had hij al een plaat opgenomen, las ik in eerdere interviews met hem. Hij weet het niet meer, maar vindt het een interessante, zij het loodzware vraag. „Het vergt branie jezelf te presenteren. Toch heb ik nimmer de drang gehad mij uit te kleden voor een publiek. De overweging was denkelijk dat je wil weten hoe de liedjes klinken waarover je zelf tevreden bent. En de teksten gingen nooit over mijzelf, dat scheelt. Ik was geen Toon Hermans-type. Ik trad niet op in Carré.”

De verdiensten, zegt hij, waren ook niet te verwaarlozen. Niet dat hij het geld nodig had, want het familiefortuin was groot genoeg om van te leven. Zijn grootvader van moederskant was één van de oprichters van de SDAP, de voorloper van de PvdA. „Later werd hij planter in Indonesië en miljonair.” Of hij ook socialist is? „Neen, eerder liberaal. Ik ben absoluut niet het type me te scharen in rijen om gezamenlijk een lied aan te heffen.”

Wat voor type is hij dan wel, vraag ik. Want achter al die mooie zinnen blijft de man onzichtbaar. „Er is een kant van mij die openstaat voor melancholie”, zegt hij bij wijze van antwoord. „Een soort weemoed, die ik eerder onderga als behaaglijk dan zorgwekkend. Het is een stemming zonder tranen.”

Hij peutert de pitjes uit het schijfje citroen bij de thee. Ach, het ouder worden verhoogt de pret niet. Zijn nummers, daar moet hij even melding van maken, die hebben wel het eeuwige leven. „Ik krijg nog altijd afrekeningen van Buma Stemra voor de op de radio gedraaide liedjes.” Hij kijkt op zijn horloge. Zegt: „Nu even een alledaagse kwestie ...” Hij wordt thuis verwacht, begrijp ik. In al zijn broosheid helpt hij me de drempel over, gaat voor in de draaideur, begeleidt me tot aan mijn fiets en wuift net zolang totdat hij zeker weet dat hij helemaal uit zicht is.

    • Rinskje Koelewijn