Gêne over Canal Parade treft ook veel homo's

De botentocht die vandaag in Amsterdam wordt gehouden, ter afsluiting van de Gay Pride, verplicht homo’s tot openbaarheid en staat daarmee een geloofwaardig privéleven in de weg, schrijft Stephan Sanders. Het is de paradox van het homobestaan – je moet zorgen dat je er mag zijn, maar het is minstens zo belangrijk om niet te hoeven leven als een uithangbord.

Foto Bas Czerwinski, bewerking NRC Handelsblad 01-08-2009, Amsterdam. Gay Pride, boot met Gorden. Foto Bas Czerwinski

Het is een eenvoudig gedachte-experiment. Iedereen kan eraan meedoen, maar het is vooral leerzaam voor mensen die zichzelf niet beschouwen als deel van een seksuele minderheid.

Het gaat zo: u legt de krant neer, staat op, en zegt dan luid en duidelijk: ‘Ik ben er trots op hetero te zijn.’

Het experiment laat zich nog verder voeren: het is niet ondenkbaar dat u lotgenoten zoekt, mensen die net als u seksuele omgang hebben met personen van het andere geslacht. U bent niet zozeer trots op die speciale man of vrouw, die de uwe genoemd mag worden. Nee, het naakte feit dat u als vrouw met een man, en als man met een vrouw verkeert is de bron van uw triomf. Eventueel kan er nu een kar, wagen of boot gehuurd worden, waarmee u met uw strijdmakkers door de stad trekt: u laat u heupwiegend vervoeren terwijl de technobeat luid dreunt en u zich baadt in een orgiastische confettiregen. De toeschouwers aan de kant moedigen u aan, en u schreeuwt: Proud to be straight.

Ik kan me zo voorstellen dat deze scène voor veel mensen (laten we ze even hetero’s noemen) niet enorm aantrekkelijk is; ik kan me zelfs voorstellen dat de boven beschreven scene tot een acuut gevoel van ongemak leidt, en tot schaamte. Trots zijn op je heteroseksualiteit, dat is ongeveer net zo stompzinnig als trots zijn op de huidskleur die je toevallig hebt.

Enfin, u zult wel begrijpen welk kleine geheimpje ik wil delen: die gêne, dat onbehagen treft ook veel homo’s, wanneer de vloot van de Canal Parade door Amsterdam vaart om de zogenaamde Gay Pride te vieren.

Want het is van tweeën een: of wij homo’s hebben zelf gekozen voor die dominante moeder en die absente vader, wij hebben die seksualiteit van ons heel nauwkeurig ingericht – zoals het cliché wil dat we dat ook doen met onze interieurs – en dat homo-zijn is daarom ook werkelijk onze verdienste. Een interessante visie, maar wetenschappelijk gezien uitermate onwaarschijnlijk. Óf die homoseksualiteit is ons overkomen, zoals blauwe ogen, of aanleg voor kleine borsten en obesitas. In dat laatste geval is die homo-trots nogal onverdiend: eerst zijn er de genetische feiten, en vervolgens maak je daar een emancipatoire deugd van.

Trots is een eigenaardig begrip: wie het opzoekt in de Van Dale wordt geconfronteerd met behoorlijk dubbelzinnige betekenissen:

trots (bn.; er, trotst)

1 vervuld en blijk gevend van een gevoel van meerderheid boven anderen

2 (ongunstig) het gevoel van meerderheid te zeer of ongegrond te doen blijken, syn. hoogmoedig, hovaardig, halsstarrig, onbuigzaam.

3 trots op, wegens het genoemde een (al of niet gerechtvaardigd) gevoel van meerderheid, of wel van zelfvoldaanheid hebbend.

De definities ruiken naar narcisme, grootheidswaan en zelfverheffing: dat is heel anders dan de leuke gemeenzame omgang die wij inmiddels ontwikkeld hebben met het begrip trots.

Even terug naar een andere tijd: naar 1813 om precies te zijn. Toen verscheen de beroemde roman van Jane Austen, Pride and Prejudice, en in de titel al koppelt zij het idee van trots vanzelfsprekend aan ‘vooroordeel’. Trots, geloofden Austen en haar tijdgenoten nog, gedijt vooral bij een zekere blindheid en hoogmoed.

Trots vraagt om oogkleppen, zodat alleen het jouw welgevallige deel van de werkelijkheid te zien is. Trots is vaak maar moeilijk te onderscheiden van een vorm van bewustzijnsvernauwing: een bord voor de kop, de armen over elkaar, en trots zijn maar.

Sinds wij collectief geacht worden trots te zijn op Nederland, het Nederlandse elftal, het Nederlandse erfgoed, Piet Hein, de palingsound en nog zo wat zaken waarvan het duidelijk is dat we er individueel niet zo gek veel aan bij hebben gedragen, is ‘trots’ gedevalueerd tot iets waar je niet zozeer iets voor moet doen, een werk, een wapenfeit: nee, trots is nu heel losjes de aanduiding van een felicitatie die je jezelf cadeau doet. Omdat je het geluk hebt zoveel ‘jij’ te zijn.

De homo’s , lesbo’s en travestieten (ze worden nogal eens vergeten) die in juni 1969 voor het eerst terugvochten tegen de politie, toen die tijdens een routine charge homoclub Stonewall in Greenwich, New York wilde ontruimen – die hadden iets om trots op te zijn. En dan doel ik niet op hun ‘geaardheid’. Voor het eerst kreeg het idee gestalte dat homo’s er niet waren om altijd maar gekleineerd en gemarginaliseerd te worden door een overheid, die elke niet-hetero zag als een in potentie staatsgevaarlijk individu, dat amper bestaansrecht verdiende. Deze trots was gebaseerd op een daad, een verdienste. Want daar werd, hartje downtown, slag geleverd om burgerrechten, die homo’s net zozeer toevallen als hetero’s, zoals zwarte Amerikanen eerder dezelfde strijd hadden moeten leveren.

Al die Gay Pride-vieringen die we sinds jaar en dag kennen, gaan terug op die kleine veldslag, die daar geleverd werd. Het is inmiddels een gezellig uitje geworden voor iedereen, en niet te vergeten, een gouden dag voor de Amsterdamse horeca.

Sinds Stonewall heeft de homobeweging, die nooit eerder zo luidruchtig van zich had laten horen, zich de strategie van de zichtbaarheid en openbaarheid eigen gemaakt. ‘Out of the closets, and into the streets’ – dat was de slogan. En de stoutmoedige mannen en vrouwen die toen riepen dat ze ‘trots’ waren op hun homoseksualiteit, verdienden de term letterlijk, vanwege hun daden en hun moed.

Maar gaandeweg heeft zich het idee ontwikkeld, dat iedereen die toevallig homo blijkt (of holebitrans, zoals de minder aantrekkelijke afkorting officieel luidt – homo, lesbo, bi, transseksueel) zich kan beroepen op een adelsteken. De homo’s als de noblesse van de seksuele standenmaatschappij. Alleen al het homo- zijn is genoeg voor een kruis van verdienste.

Dat is eerlijk gezegd niet zo.

En ook is het een wijdverbreid misverstand dat homo’s speciale rechten zouden moeten opeisen, zogenaamde ‘homorechten’. Ik zou niet weten wat daarmee bedoeld wordt ( speciale, van gemeentewege aangelegde paadjes in een cruisegebied?), maar hoe dan ook, het hele idee is onzinnig.

Je moet er niet aan denken, dat Martin Luther King in zijn tijd om ‘negro rights’ had gevraagd. Nee, uiteraard ging het hem om ‘civil rights’, die zwart en blank gelijkelijk moesten beschermen. Ook homo’s hebben in die zin niets ‘speciaals’ om zich op te beroepen: burgerrechten, precies dezelfde als voor iedereen – dat is het minimum waar je genoegen mee moet nemen, en tegelijkertijd het maximum dat je kunt vragen.

Je snapt het historische nut van sommige slogans, als contratherapie voor opgedane vernederingen. Black is Beautiful, Proud to be gay. Maar zo’n schreeuwerige uitspraak is in zichzelf net zo benauwend en beperkend als het (ooit) dominante idee waartegen het zich keert.

Inmiddels zijn die burgerrechten ook voor homo’s in ons land op een haar na geregeld.

Een van de belangrijkste data voor de Nederlandse homogeschiedenis is ongetwijfeld 1 april 2001 – toen werd het burgerlijk huwelijk ook opengesteld voor personen van hetzelfde geslacht. Wij spreken inmiddels van het ‘homohuwelijk’ maar dat is het dus precies niet, net zo min als dat er ‘black marriages’ bestaan.

Elf jaar later, nog maar een maand geleden nam de staat New York precies ditzelfde huwelijksbesluit. Hetzelfde New York, waar de homo-opstand ooit begon. Soms is er sprake van de wet van de remmende voorsprong, en het moet gezegd: Nederland springt er in dit opzicht heel gunstig uit.

Ik ben zelf al weer jaren getrouwd met mijn man, maar moet eerlijk toegeven dat ik vijftien jaar geleden nog weinig zag in dit huwelijk dat ook voor homo’s moest gelden. Was het niet tuttig je zo te conformeren aan de ‘hetero-norm’? Moesten we nu allemaal huisje- boompje- beestje gaan spelen? Mijn twijfels van toen begrijp ik nu nauwelijks nog. Ik weet eigenlijk niet meer precies wat ik met die ‘hetero-norm’ bedoelde. Ja, de homo was vroeger gedwongen een bestaan in de marge te leiden. Je kon dat rebels noemen, maar beter lijkt het me te spreken van een gebrek aan keuze. Met de openstelling van het huwelijk is er voor homo’s de mogelijkheid ontstaan net zo’n burgerlijk bestaan te leiden als ieder ander die dat wil. De burgerhomo is opgestaan, de seksuele rebel kan nog steeds zijn gang gaan, maar hij of zij hoeft zich niet meer alleen tot de marge en de underground te beperken. Hij kan, ook als homo, alsnog accountant worden, of chef bij de politie.

Wij kennen tegenwoordig burgemeesters die frank en vrij homo zijn –30 jaar geleden was dat voor de radicale homobeweging eerder een schrikbeeld dan een aantrekkelijk vooruitzicht. Door die gelijke rechten zijn homo’s ook gewoner geworden, alledaagser, minder uitzonderlijk en mysterieus dan de jonge mannen en vrouwen die zich in de jaren ’30 in Berlijn rond Christopher Isherwood verdrongen.

Wat we aan ‘radical chic’ verloren, kwam er aan rechten bij. Mij lijkt dat een goede deal. Want het is nu zo geregeld: homoseksualiteit is in principe geen obstakel meer voor alle keuzen die niet-homoseksuelen ook kunnen maken.

De vraag is wel, of de oude strategie van zichtbaarheid en openbaarheid, die zo aan de emancipatie heeft bijgedragen, nu nog steeds doeltreffend is. Ik ben steeds meer gaan twijfelen aan het nut van uitzinnige manifestaties als die Amsterdamse botenparade, misschien ook omdat ik soms oprecht verlang naar onzichtbaarheid. Als ik met mijn man over straat loop, en ik wil even snel een arm om zijn schouder te slaan, dan is dat allerminst bedoeld als een politiek gebaar. Nee, ik wil niets bewijzen over homotrots en emancipatie, ik probeer ook niet mijn steun te betuigen aan rechten voor homo’s of een openbaar statement te maken over welke kwestie dan ook. Ik wil mijn man even aanraken.

Die onzichtbaarheid is homo’s nog te weinig gegeven. Wij hebben ons bekwaamd in het politieke optreden, het demonstratieve leven. Maar het gewone privéleven, het intieme bestaan lijkt er bij al die strijd en slogans bij in geschoten.

Ik woonde vorig jaar vier maanden in Almere, en ontmoette daar twee jongens van zeventien, die je allerminst homofoob kunt noemen. Ze waren fan van Paul de Leeuw, moesten ‘gieren’ om Gordon, en waren zelfs al eens naar die Gay Pride geweest in Amsterdam. Lachen.

Maar na enig doorvragen bleek dat ze al die homoseksuele uitingen toch meer iets vonden voor op de tv. Of, nou ja, voor die ene gekke dag in het centrum van Amsterdam. Maar Almere – nee, dat vonden ze nou niet zo’n geschikte plek om die homoseksualiteit bot te vieren.

Die grote, blote botentocht in Amsterdam die vandaag door de grachten trekt – het is een homo-carnaval, waar iedereen aan mee kan doen, ho en he, oud en jong, opa en oma, ouders met kinderen. Je zit langs de kant, je staat op een boot, je klapt voor elkaar en de sfeer is chill! (hoor je dan te zeggen).

Zoals bij elk carnaval worden de bestaande verhoudingen tijdelijk op de kop gezet. De dakdekker is even veel waard als de burgemeester. Prins Carnaval steekt Willem- Alexander naar de kroon. Deze code geldt voor bepaalde tijd, want als het feest is afgelopen blijkt dat de bestaande verhoudingen en de status quo alleen maar zijn versterkt door deze dwaze uren of dagen.

De uitzondering die even werd gemaakt, bevestigt de regel die voor de rest van het jaar geldt. En soms heb ik het idee, zoals de Britse psycholoog Jesse Bering al onder woorden bracht, dat we tijdens zo’n evenement als de Canal Parade alle stereotypen uitleven, om vervolgens de rest van het jaar bezig zijn die weer te ontzenuwen.

Zo stuiten we op de paradox van het homobestaan, of beter gezegd, op die van elke minderheid. Je moet zorgen dat je er mag zijn, maar het is minstens zo belangrijk niet als een uithangbord te hoeven leven. Om vanzelfsprekend te zijn als je dat wilt, zonder voortdurend politieke of emancipatoire gestes te moeten maken.

Ik geloof steeds minder dat zo’n Canal Parade aan die vanzelfsprekendheid bijdraagt. Integendeel, ze verplicht de homo tot openbaarheid, en staat daarmee een geloofwaardig privéleven in de weg.

Tot slotte een citaat uit neutrale – want niet-homoseksuele bron– waar ik mij graag bij aansluit. Tony Judt, de vorig jaar overleden Brits joodse schrijver en historicus, merkt in zijn bundel De Geheugenhut op: „Ik koesterde – en koester – een wantrouwen ten aanzien van elke vorm van identiteitspolitiek, zeker als die identiteit de joodse is (…).” Ik zou het laatste deel van dit citaat graag vervangen met: ‘…zeker als die identiteit een homoseksuele is….’

Stephan Sanders is columnist, presentator en schrijver. Dit is een bewerkte versie van de Roze Zaterdag Lezing die Sanders vorige maand in Groningen hield.