Een tijd van pessimisten

Zoals meestal gebruikte premier Poetin van Rusland de grofste woorden om zijn minachting voor de Verenigde Staten te uiten. In het zomerkamp van de nationalistische jeugdbeweging Nasji zei Poetin dinsdag dat Amerikanen „parasiteren op de wereldeconomie”.

Maar los van dit taalgebruik, hij staat niet alleen. Ook Yang Jiechi, de Chinese minister van Buitenlandse Zaken, velde gisteren een hard oordeel over Amerika dat nu eens „verantwoordelijk” monetair beleid moet gaan voeren voor de buitenlandse investeerders, zoals uit China.

Deze kritiek raakt ook Europa. De nieuwe derde wereld is bang dat de oude eerste wereld niet in staat is orde te scheppen in de monetaire chaos. Wat tijdens de acute fase van de kredietcrisis in 2008 nog lukte – ‘pompen of verzuipen’ – lukt nu niet meer. De reden is deels politiek.

Het lijkt er op dat de oude wereld in twee tijdvakken tegelijk leeft. Dat haar industriële massaproductie het in de 21ste eeuw aflegt tegen de concurrentie, wordt onderkend. Dat de innovaties in de financiële dienstverlening, die na het einde van de Koude Oorlog de nieuwe kurk werden, fiasco’s zijn gebleken, wordt na 2008 schoorvoetend erkend.

Maar dat de politieke macht in het voetspoor van de economische ook verschuift, dat is een hete brij waar omheen wordt gelopen. Het bericht dat Amerika afgelopen week door de Chinese krediettaxateur Gadong is afgewaardeerd, wordt nog altijd minder serieus genomen dan de mededeling dat het vertrouwen van ‘onze’ Moody’s ongeschokt is.

Dat onvermogen om de waarheid onder ogen te zien, belemmert het zicht op de uitweg. De crises rond Amerikaanse staatsschuld en Europese munt zijn namelijk wel een uiting van de kruiende machtsverhoudingen maar niet de onontkoombare oorzaak ervan. Niet de derde wereld heeft de schuldenberg laten groeien, dat heeft de eerste toch echt zelf gedaan.

De Westerse wereld moet dat dus zelf oplossen. Wie schulden heeft, is afhankelijk van crediteuren. In de somberste scenario’s kan dat ook militaire consequenties hebben. In het geopolitieke verkeer plegen staten nu eenmaal niet met deurwaarders te werken. Vandaar de lichte zorg die opdoemt bij elk fregat dat ergens in China van stapel loopt.

Maar zo zwartgallig hoeft de toekomst er niet uit te zien. Als ‘onze’ crises niet zijn te wijten aan ‘hun’ successen, dan is er geen reden om de ‘ondergang van het Avondland’ – of ‘Declinism’ zoals dit defaitisme in Amerika heet – te voorspellen. Bovendien zijn er in de oude wereld verschillende aansprekende voorbeelden die tot navolging nopen.

De relatieve kracht van Duitsland, een op export gerichte industrienatie die gelooft in de reële economie, is zo’n wenkend perspectief. Duitsland illustreert dat een ingenieursmentaliteit, gekoppeld aan de notie dat een efficiënte overheid er een evenwichtige financiële huishouding op moet nahouden, de basis kan zijn voor een dynamische verzorgingsstaat die niet zo hardvochtig is als de Chinese.

Maar voorwaarde is wel dat de bestuurders in zowel het publieke als het private domein de burger geen knollen voor citroenen verkopen, dat ze eerlijk zijn in hun analyses van en in hun oplossingen voor het probleem. In grote delen van de oude wereld gebeurt het omgekeerde.

De volkse stromingen in Amerika en Europa, die de geschiedenis in roze beelden mythologiseren en doen alsof zij met hun aanpak om de indringers buiten te gooien deze vergane glorie terug krijgen, hebben juist onevenredig veel macht. Met maximaal een kwart van de kiezers gijzelen ze het publieke domein.

Maar driekwart van de burgers weet dat het maatschappelijke leven in de nieuwe wereldorde van nu soberder wordt en moet worden. Ze willen wel eerlijk worden bejegend. Door politici én bankiers. Beide domeinen, die van het bestuur en het bedrijfsleven, hebben er zelf ook belang bij om zo een nieuw politiek draagvlak te bouwen.