Een en al lichaam, een en al niet-lichaam

Caesar van Everdingen: Meisje met brede hoed, 1645-1650

In een archief in Nieuw-Zeeland zijn drie spoelen aangetroffen van een oerfilm van Alfred Hitchcock. The White Shadow, uit 1923. Een thriller. Hitchcock, nog een groentje in de filmindustrie, schreef mee aan het scenario en vervulde verder „various functions”, vertelde hij zijn bewonderaar François Truffaut. Volgens Truffauts boek Hitchcock wordt Hitchcock op de aftiteling genoemd voor de montage en de set dressing. Hij deed dus geen regie, zelfs niet als assistent. En tja, het is maar een halve film. Heel erg Hitcock zal The White Shadow niet zijn. En toch, dat we iets van hem terugveroverden op het verleden, geeft een kick. Er komt ineens van alles goed.

Dezelfde mini-euforie voel ik bij het schilderij ‘Meisje met brede hoed’ in het Rijksmuseum in Amsterdam. Caesar van Everdingen schilderde het een kleine vierhonderd jaar geleden. Tot voor kort wist niemand dat het er nog was, vertelt conservator Gregor Weber. Hij kende het alleen als het schilderij dat Van Everdingens weduwe graag wilde behouden uit de nalatenschap van haar man. Maar waar het was? En toen identificeerde Weber het op een veilinglijst. Het bestond! Het was Weens privébezit, en nu is het van ons want het Rijksmuseum kocht het met geld van de Bankgiro Loterij. Gerestaureerd met steun van het Irma Theodora Fonds kreeg het zijn abrikozenkleuren terug. Applaus voor de weldoeners.

Ik sta voor dit klaterende portret, uit Rembrandts tijd maar helemaal niet in Rembrandts stijl. Het is zoel en maakt licht in het hoofd.

Zonlicht overstroomt een vrouw van een jaar of 17, een bries waait de strik op haar rug op. Haar machtige blonde onderarm komt naar voren, het lijkt wel 3D. Die naakte schouder, dat mandje pruimen, die linkertepel in haar geplooide jurk – alles suggereert dat ze klaar is om geplukt te worden. En dat ze niets liever wil. Maar weersta de verleiding van al dat moois en je ziet hoe, onder de zonnebrilschaduw van de hoed, de schilder haar ogen laat afwachten. Afweren.

Het Frans Hals Museum in Haarlem heeft zijn eigen aanwinsten. Ik vergaap me aan een nieuw bruikleen. ‘Portrait of a Lady’ staat op het schildje eronder. De lady enerveert me, want ook zij was verloren en ook zij werd herwonnen. Zo toegetakeld was ze, dat ze niet gold als een werk van Hals’ hand. Nu is haar doek gerestaureerd en zie! Tóch van Frans Hals.

Het is een schilderij om de tijd voor te nemen. Het geeft zich langzaam, per minuut zie ik meer. De lady is een volwassen vrouw, met een deuk in haar slaap, lijntjes onder haar ogen, iets verslapte wangen. Vormen zijn haar niet gegund. Haar lichaam gaat schuil in zwarte plooien en wordt geplet onder de stijve kraag. Maar wacht. In haar haarlijn vangt één gouden druppel voluit het licht. Een haarspeld, maar die glinstert niet zomaar. Daar sprankelt haar geest.

Caesar van Everdingen schilderde zijn meisje tussen 1645 en 1650. Frans Hals schilderde zijn lady in precies diezelfde jaren. Dat is geen toeval, daar is het te mooi voor.

Ik zie twee schilders, ze schilderden elk een vrouw, in radicaal verschillende stijlen. Vierhonderd jaar later spelen hun doeken op elkaar in doordat ze tegelijk opdoken. Van Everdingens sensuele meisje houdt de belofte in van de sobere lady. Hals’ zacht gepenseelde lady herinnert steels aan haar jeugd: zie haar naakte hand dekking zoeken. Het meisje draagt de getrouwde vrouw in zich. In de lady zit nog de jonge vrouw, kijk maar naar het glinsteren van de parels aan haar oren. Het meisje is een en al lichaam. De lady is een en al niet-lichaam. De ene vrouw weet dat ze de andere zal worden. De ander weet nog hoe ze geweest is. De lady kijkt triest. Het meisje ook.

Het is je reinste illusionisme, met een verdwijn- en verschijnkast.

Joyce roodnat

    • Joyce Roodnat