Dom, dapper, deftig - en trots op tank en paard

Minister Hillen bezuinigt een miljard op defensie. De cavalerie wordt het hardst getroffen. De familie Van Diepenbrugge vreest het eind van een traditie van generaties.

Zijn vader heeft het hem afgeraden, maar Andrew van Diepenbrugge wil toch bij de cavalerie. Twintig jaar is hij en hij hoopt later huzaar te worden. Net als zijn vader, luitenant-generaal Tony van Diepenbrugge, inmiddels buiten dienst. In de voetsporen van zes generaties Van Diepenbrugge-militairen vóór hem. „Toen ik klein was, moest ik er niets van hebben. Vooral omdat mijn vader zo vaak weg was, op uitzendingen en oefeningen”, herinnert Andrew zich.

Nu zijn die uitzendingen juist deel van het avontuur dat Andrew voor ogen heeft. „Toen ik ouder werd, is het toch gaan kriebelen.” Niet onder druk van de familiegeschiedenis. Nooit gepusht. „Mijn vader vraagt zich juist af of het met alle bezuinigingen nu wel verstandig is.” Van Diepenbrugge senior maakt zich zorgen over het gebrek aan mogelijkheden binnen het leger in het algemeen en de cavalerie in het bijzonder. „Maar sinds ik heb uitgesproken dat dit is wat ik wil, betrap ik hem er toch op dat hij trots is”, zegt Andrew.

Trots is de chique cavalerie altijd geweest. Trots op de paarden waarop het ruitervolk tot in de vorige eeuw tegen vijandelijke legers ten strijde trok en verkenningen uitvoerde. Trots op het machtige tankwapen dat daarna hét manoeuvre-element van het slagveld werd. Trots op de sterke band met de koninklijke familie. En trots op de saamhorigheid, de tradities en het decorum van de meer dan vier eeuwen oude militaire eenheid. ‘Dom, dapper en deftig’, het negatieve stempel dat de cavalerie van andere legeronderdelen kreeg, wordt gedragen als een geuzennaam.

In veel gegoede families was het generatieslang vanzelfsprekend om officieren der cavalerie te leveren. De geschiedenis van de ruiterij is doorspekt met baronnen, jonkheren en dubbele achternamen: Beelaerts van Blokland, Van Tuyll van Serooskerken, Van den Wall Bake. „Wie vroeger bij de cavalerie wilde, moest zijn eigen paard meebrengen”, vertelt vader Tony van Diepenbrugge (60). „Dat kon alleen de bovenlaag van de samenleving zich veroorloven.”

Maar die tijd is voorbij, de moderne cavalerist is geen sherrydrinkende heer van stand die teert op zijn familietraditie. Andrew is afgewezen op de officiersopleiding, de KMA in Breda. Ze weten daar dondersgoed wie zijn vader is. „Maar daarom word ik nog niet zomaar aangenomen”, zegt hij. „In deze tijd kunnen ze bij defensie de allerbeste mensen kiezen. Er zijn heel veel kandidaten voor weinig plekken. Toen ik solliciteerde, had ik alleen een havo-diploma. Te weinig bagage.” Daarom studeert hij nu veiligheidskunde in Enschede. Daarna meldt hij zich opnieuw bij de KMA.

Minister Hans Hillen (CDA) bezuinigt een miljard euro op defensie. Eén op de zes banen verdwijnt en duizenden militairen wacht gedwongen ontslag. De cavalerie is met het afschaffen van de laatste zestig tanks het hardst geraakt. De vuurkracht is de zwarte baretten ontnomen, twee van de drie regimenten worden opgedoekt. Wat rest is één enkele verkenningseenheid: de Huzaren van Boreel. Precies het regiment waar Andrew zijn zinnen op gezet heeft, maar toch: de cavalerie is ontwapend en verliest zijn rol van betekenis.

Zijn grootvader kent Andrew van Diepenbrugge alleen van verhalen. In zijn ouderlijk huis in Epe prijkt een foto van zijn opa met prins Bernhard, van wie hij jarenlang de adjudant was. Andrew weet dat zijn grootvader in de oorlog drie jaar als krijgsgevangene doorbracht in Polen en Oekraïne. Dat Jacques Philippe ‘Poeti’ van Diepenbrugge als jonge luitenant, samen met diens vader, luitenant-kolonel Jan Jacob van Diepenbrugge, in mei 1940 vocht om Ypenburg, komt hem maar vaag bekend voor. „Wij hebben het nooit zo over onze ‘heldendaden’”, zegt Tony. Hij kreeg als kind wel veel mee van de oorlogservaring van zijn vader. „Dat hij in kampen had gezeten en ontsnapt was, maakte op kinderen natuurlijk meer indruk dan de gevechten bij Ypenburg.” Via zijn vader kreeg hij de moderne en de traditionele kant van de cavalerie mee. „Toen ik opgroeide, was mijn vader een echte tanker, maar hij was voor de oorlog nog te paard begonnen.”

Na de Eerste Wereldoorlog was fors in de cavalerie gesneden. Het was de tijd van de pacifistische beweging, van het gebroken geweertje. Onder druk van de economische crisis en een paardenschaarste waren de Nederlandse ruiterregimenten gehalveerd. Veel cavaleristen moesten zich voortaan per fiets verplaatsen. Een vernedering voor de paardenmannen die zich altijd verheven hadden gevoeld boven het voetvolk van de infanterie. Om zich daarvan te distantiëren, hielden de cavaleristen op de fiets hun tenue aan: paardrijbroek en rijlaarzen mét sporen.

Vóór de oorlog had de cavalerie de reputatie een weinig professionele, wat studentikoze club te zijn. Er werd niet paardgereden om te vechten, maar om olympische prijzen. Er werd uitgebreid gedineerd, gedronken, gezongen en aan regimentsdassen gesjord. Pas vlak voor Hitler met zijn tanks in een Blitzkrieg Europa veroverde, was gepoogd de Nederlandse legermacht weer op te pompen qua mankracht en uitrusting.

„Vóór de oorlog was voor mijn vader al duidelijk dat de tijd van de paarden was afgelopen en het leger op een andere leest geschoeid moest worden”, zegt Tony van Diepenbrugge. Zijn vader droeg er niet alleen toe bij dat Nederland in de Koude Oorlog meedeed aan de wapenwedloop door honderden Duitse Leopard-tanks aan te schaffen. Tegelijkertijd zorgde hij ook voor het bewaken van de oude tradities. Poeti van Diepenbrugge was in 1956 één van de oprichters van de militaire ruitersportvereniging ‘Te Paard’.

Wie te paard of in een tank zit, overziet het slagveld en bezit de slagkracht in het open terrein waar cavaleristen zich van nature senang voelen. Tactisch bleef de rol dus hetzelfde en dankzij het nieuwe voertuig won de cavalerie sterk aan gewicht binnen het leger. Intussen leefde het corporale karakter voort. Tony van Diepenbrugge: „Het bleef een speciale club, mede doordat de zonen van gegoede families die tijdens hun dienstplicht voor de landmacht kozen, vrijwel altijd de cavalerie verkozen.”

Het einde van de Koude Oorlog betekende het einde van de dienstplicht en nu dan ook van de tank. Menig (oud-)cavalerist heeft zich geroerd sinds minister Hillen in april zijn bezuinigingen bekendmaakte. Niet alleen omdat hun ‘speeltje’ verdwenen is, maar omdat ze geloven dat de wereld te onveilig is om het machtigste wapen af te schaffen. Marineschepen en luchtmachthelikopters zijn door de Tweede Kamer nog gered, maar de cavalerie vond geen gehoor.

Tony van Diepenbrugge leidde als divisiecommandant in Bosnië nog de laatste battle group waarbij Nederland zijn tanks inzette. Als verkenner van Boreel heeft hij geen vanzelfsprekende band met de tank, maar het baart hem wel zorgen dat de landmacht het veelzijdige wapen kwijt is. Het uitkleden van de cavalerie doet hem ook twijfelen aan de carrièremogelijkheden van zijn zoon. „Ik snap dat Andrew de handelingsvrijheid zoekt die de verkenners hebben, omdat ze buiten het zicht van de commandant opereren. Maar misschien moet hij toch nadenken over de infanterie. Daar ligt nu het zwaartepunt.”

Van Diepenbrugge vraagt zich af of de cultuur van de cavalerie tegen de tijd bestand zal zijn. Het is nu aan de Huzaren van Boreel om het culturele erfgoed te bewaken en bijvoorbeeld de verjaardagen van de vier oorspronkelijke regimenten te vieren. „De saamhorigheid en traditiebeleving zijn hier toch sterker dan bij andere wapens. Maar wie kan het voortzetten?”

De vader merkt de gevolgen van de verschraling bij het cavalerie ere-escorte. Dat werd in 1966 in ere hersteld om de Gouden Koets op Prinsjesdag en bij koninklijke huwelijken en begrafenissen te begeleiden met twee bereden pelotons. Van Diepenbrugge is voorzitter van de stichting die dat met vrijwilligers organiseert. „De vraag is of we het escorte op termijn nog wel kunnen blijven vullen nu er steeds minder beroepscavaleristen en reservisten zijn die kunnen paardrijden.” Misschien moet de selectie zich niet meer tot de cavalerie beperken. „Want die wordt veel te klein om er in de toekomst voldoende ruiters uit te halen.”

Ook al wordt zoon Andrew alsnog aangenomen op de militaire academie en leeft de cavalerie nog een generatie voort in de familie Van Diepenbrugge, de hippische traditie is er niet mee gered. Voor het ere-escorte hoeft Tony niet op Andrew te rekenen. Hij heeft zijn zoon nooit echt leren paardrijden. Die koos voor een teamsport: hockey.

    • Emilie van Outeren