De doe-het-zelfbrandweer

Minder kazernes, minder mensen per spuitauto, meer preventie, langere aanrijtijden: de brandweer in Nederland staan ingrijpende veranderingen te wachten. „Laat de mensen maar knetteren.”

Illustraties uit het Gouden Boekje Vijf brandweermannetjes, met dank aan uitgevrij Rubinstein

Boos en verdrietig zijn ze in Lage Mierde dat de brandweer in hun dorp niet meer uitrukt. „We kunnen straks beter de verzekering bellen dan de brandweer, want die komt toch alleen maar kijken hoe de boel affikt”, zegt eigenaar Patricia Priems van kapsalon Hip4you. Een enkeling in het Brabantse dorp heeft uit verontwaardiging een zwarte lap en een emmer opgehangen. „Dat is onze doe-het-zelfbrandweer”, vertelt Andrea Heesters van de dorpsraad. „Dat hebben we gedaan nadat in de krant werd gezegd dat een late brandweer de prijs is als je in het buitengebied wilt wonen.”

De emoties zijn de afgelopen maanden hoog opgelopen over het besluit van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden om niet meer uit te rukken vanuit de kazerne in Lage Mierde wegens gebrek aan vrijwilligers. De zestien overgebleven brandweerlieden komen er nog wel elke donderdagavond samen. „Om het te verwerken”, zegt brandweervrouw Marjan Jansen. De vrijwilligers hebben het vertrouwen opgezegd in hun eigen posthoofd. „Die heeft ons in de steek gelaten.” Onbekenden hebben op internet het gemeentebestuur bedreigd en gesuggereerd dat burgemeester en wethouders net zoals de leiders van dictaturen in het Midden-Oosten maar beter uit de weg konden worden geruimd. „Het was heel zwaar”, zegt José van Gorp-Van de Ven, als waarnemend burgemeester verantwoordelijk voor het besluit. „Deze kwestie heeft veel energie gekost. De sfeer is verziekt.”

In het dorp wordt gezegd dat het besluit niet is genomen omdat er onvoldoende vrijwilligers zouden zijn, maar om te bezuinigen. De brandweerpost in Reusel heeft een nieuwe tankautospuit nodig en die kan nu gratis uit Lage Mierde worden overgenomen. Dat er geen vrijwilligers waren, klopt volgens veel Lage Mierdenaren niet. De gemeente heeft „spijkers op laag water” gezocht om nieuwe vrijwilligers ongeschikt te verklaren. Brandweervrouw Marjan Jansen: „Er zijn vrijwilligers afgekeurd die tien seconden te laat op de kazerne zouden zijn. Het alternatief is dat de brandweer uit Reusel moet komen en vele minuten later pas bij de brand is.” Ex-burgemeester Van Gorp legt uit dat de selectie van vrijwilligers „zeer zorgvuldig” is verlopen en dat uitgangspunt voor het besluit geen „ordinaire bezuiniging” is geweest. Wel wacht Reusel nu met het kopen van een nieuwe tankautospuit. „Dat zou weggegooid gemeenschapsgeld zijn.” De maatregel was simpelweg nodig door het gebrek aan vrijwilligers. Je moet nu eenmaal met zes man op een tankautospuit zitten en als dat er maar vijf zijn, „dan ben je als gemeente verantwoordelijk als de veiligheid van de mensen in het geding komt”.

De Nederlandse brandweer staan ingrijpende veranderingen te wachten. Om te beginnen is er een nieuwe doctrine. Die komt erop neer dat als we in Nederland meer branden proberen te voorkomen, de brandweer minder vaak hoeft uit te rukken. „We moeten een beetje terug naar het idee waarmee de brandweer eeuwen geleden in het leven werd geroepen, namelijk zorgen dat als een huis in brand staat, niet ook de hele stad afbrandt”, zegt Ira Helsloot, hoogleraar crisisbeheersing en fysieke veiligheid aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. „De afgelopen decennia is de verwachting gewekt dat de brandweer altijd iedereen kan redden uit een brandend huis. In de praktijk worden er maar heel weinig mensen uit brandende huizen gered. We moeten veel meer inzetten op preventie. Installeer rookmelders en sprinklers in woonwijken. Het gaat misschien te ver om te zeggen dat de brandweer met zulke maatregelen overal een kwartier later kan komen, maar de opkomsttijden kunnen wel langer worden. ”

De doctrine is enkele jaren geleden uitgedacht bij de hoofdstedelijke brandweer. Commandant van het regionale korps Amsterdam-Amstelland is Caroline van de Wiel, tevens voorzitter van de vereniging van brandweerkorpsen, de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR). Van de Wiel: „We brengen al jaren water naar vuur en dat gaat steeds sneller en beter. Daar is wel een grens aan. Onze opkomsttijden zijn gebaseerd op berekeningen uit de jaren vijftig. Toen stonden in Nederland de huiskamers nog vol met wol en hout. Het duurde zeventien minuten voordat een brand zich verspreidde. Inmiddels is dat nog maar drie minuten. Een brand verspreidt zich tegenwoordig veel sneller door alle elektronica in huiskamers, kunststoffen in matrassen en dubbele beglazing. Drie minuten gaat de brandweer nooit halen. Wij redden bijna nooit mensen in een vluchthouding. Mensen die wij dood aantreffen, liggen nooit te krabben aan een deur. Bijna allemaal zitten ze in een stoel of liggen op bed, verrast in hun slaap, gestikt door de giftige rook. Daarom moeten mensen en bedrijven veel meer zelf aan de bak met preventie en zelfredzaamheid. Daarom ook kun je differentiëren met opkomsttijden. Waarom moet de laatste boerderij in Zeeland dezelfde opkomsttijd van vijf minuten hebben als een portiekwoning hier in Amsterdam?”

Deze doctrine mag plausibel klinken, maar onder brandweerlieden is het toch een beetje vloeken in de kerk. Meer preventie en zelfredzaamheid allemaal tot je dienst, zeggen vooral veel vrijwilligers, maar waarom zou je als brandweer niet toch in alle gevallen gewoon zo snel mogelijk met zo veel mogelijk mensen ter plaatse willen zijn? Met de beste spullen? Er werken bijna 32.000 mensen bij de brandweer. Tachtig procent van hen is vrijwilliger en het zijn vrijwel allemaal, 95 procent, mannen. Kerels die mensen willen redden. „Laten we eerst maar eens een paar jaar experimenteren met al die preventie en kijken of dat daadwerkelijk minder inzet van de brandweer mogelijk maakt”, zegt voorzitter Cees van Beek van de Vakvereniging Brandweer Vrijwilligers (VBV). Dat een brand zich tegenwoordig zo snel in huiskamers verspreidt, vergt volgens hem juist een veel snellere komst van de brandweer.

Van Beek somt alle veranderingen op. Om een einde te maken aan de vele loze brandmeldingen wil het kabinet de melders die automatisch de brandweer alarmeren alleen nog verplicht stellen in gebouwen waar mensen verblijven die zichzelf niet snel kunnen redden, zoals ziekenhuizen, bejaardenoorden en crèches. De opkomsttijden worden variabel, de brandweer mag immers afwijken van vaste opkomsttijden als men dat kan motiveren, bijvoorbeeld omdat het risico op brand ergens erg klein is, mits de brandweer maar niet langer dan achttien minuten op zich laat wachten. „Belachelijk.”

Er lopen bovendien experimenten met vier mensen op een tankautospuit in plaats van de nu nog wettelijk verplichte zes. Ook wordt wel geopperd om er vanuit te gaan dat vooral bedrijfspanden niet brandveilig zijn en bij aankomst bij een brand niet het pand binnen te gaan, maar zich vooral te richten op de belendende percelen. Van Beek: „Als je dat allemaal op je laat inwerken, kom je tot de volgende conclusie. We horen de brand later, we gaan rijden met minder mannen, we komen later bij de brand en we gaan ook niet meer naar binnen. Eigenlijk zeg je dan als maatschappij: laat de mensen maar knetteren. Dat is bizar. Ons vak wordt kapotgemaakt. Wij worden een trottoirbrandweer.”

Hij verwijst naar een verhaal van Godfried Bomans over Brandmeester Koperbuik, een parodie op een spuitgast die op de hele stad spuit behalve op een brandend huis. Bomans schrijft: „Wij spuiten alléén op de belendende percelen. De brand als zodanig interesseert ons niet. Die beschouwen wij als een gegeven grootheid, een speling der natuur, waarin berust moet worden.”

Er is nog een reden om de nieuwe doctrine aan te hangen. De brandweer is duur aan het worden, misschien zelfs onbetaalbaar. De kosten voor brandweer en rampenbestrijding bedroegen twee jaar geleden bijna 1,1 miljard euro. Dat is 7 procent meer dan een jaar eerder. Daarnaast krijgt de brandweer nog eens 120 miljoen euro van het Rijk. Het totaal, ruim 1,2 miljard euro, is een verdubbeling van het bedrag in 2000. In 1995 waren gemeenten nog maar 378 miljoen euro kwijt aan brandweerzorg.

De oorzaken zijn niet echt duidelijk. Een commissie onder leiding van Jan Mans sprak vorig jaar van een „ongebreidelde groei van de bepakking van het basisvoertuig, de tankautospuit”. De toys for boys. Toch zijn de kostenstijgingen wel „verklaarbaar”, zegt de Amsterdamse brandweercommandant en NVBR-voorzitter Van de Wiel. Ze somt op: „Betere spullen, meer brandweermensen, hogere opleidingseisen en meer preventie. Plus het arbeidstijdenbesluit, als gevolg waarvan de brandweermensen niet 54 uur, maar slechts 48 uur per week mochten werken maar er niet in loon op achteruit mochten gaan. Daardoor zijn de brandweermensen 11 procent duurder geworden.”

Is het werkelijk waar? Ben Ale zou dat wel eens nader onderzocht willen zien. Ale is hoogleraar veiligheid en rampenbestrijding aan de TU Delft. Hij zegt: „Je kunt wel klagen dat alles duurder is geworden. Maar daar zijn misschien wel goede redenen voor. Het lijkt me toch wel prettig als de brandweer met elektrische spullen op pad kan, met apparaten waarmee ze bijvoorbeeld in staat zijn ons uit onze crashbestendige auto’s te zagen. Wie zegt dat die extra kosten niet allemaal zijn gemaakt om managers aan te trekken? Of om brandweermensen door te betalen als ze ’s nachts op de kazerne moeten slapen? Niemand weet dat.”

De vrijwillige brandweermensen zeggen het wel te weten. Verreweg het meeste geld gaat niet naar de mensen op de werkvloer, de „rode kant”, maar naar „de managers” in de zogenoemde veiligheidsregio’s, die de afgelopen jaren zijn opgericht en waarin de gemeentelijke brandweer opgaat. Vrijwilligersvoorzitter Cees van Beek: „Van die 1,2 miljard euro gaat circa de helft jaarlijks naar de veiligheidsregio’s. Je zou zeggen: haal het geld daar weg. Wij denken dat je jaarlijks 400 miljoen kunt besparen door het verminderen van het aantal veiligheidsregio’s. Maar in plaats daarvan halen de veiligheidsregio’s geld weg op de werkvloer. Er zijn de afgelopen vijf jaar al zestig kazernes verdwenen. Op verschillende plaatsen halen ze een tweede tankautospuit weg. Levensgevaarlijk. Als je een tweede melding van brand krijgt, ben je het haasje.

In Friesland worden de normen voor de opkomsttijden met 50 procent opgerekt. Vroeger waren er landelijke normen voor opkomsttijden. Nu mag een veiligheidsregio daar van afwijken. Dus wat doen ze in Friesland? Ze verruimen de opkomsttijden van acht naar twaalf minuten, willen dan nog eens zeven tot negen kazernes sluiten en plotseling voldoen ze weer aan de norm. Dat valt aan niemand uit te leggen. De burger weet niet meer waar hij aan toe is.”

De brandweer wil met minder geld meer bereiken. Door samen te werken in regionale korpsen. En door branden op een andere manier te bestrijden. Daar is veel voor te zeggen, vertelt Ricardo Weewer, plaatsvervangend commandant van de Amsterdamse brandweer. Hij weerspreekt de kritiek op de nieuwe brandweerdoctrine, waarvan hij zelf een van de bedenkers is. „Je kunt stellen dat wij relatief weinig mensen uit een brandend huis redden en dan kan een maatschappelijke afweging zijn dat je voor dat enkele geval niet heel veel geld wilt uitgeven. Maar nog belangrijker is het om te bedenken dat je ook met al die spullen en die snelle opkomsttijden niet kunt garanderen dat je mensen kunt redden. Minder slachtoffers kun je bereiken door te zorgen dat branden niet ontstaan, dat mensen sneller de brand ontdekken en binnen enkele minuten de brand kunnen ontvluchten. Dáárom hebben we deze nieuwe doctrine ontwikkeld.”

Zo bezien is het helemaal niet zo’n ramp als de opkomsttijden wat langer worden en er valt ook heel goed te praten over vier in plaats van zes man op de tankautospuit. „Landelijk is daar veel twijfel over, maar lokaal zijn vrijwilligers daar best goed over te spreken. Waar je vooral voor moet oppassen, is dat je met vier man hetzelfde wilt doen als met zes man. Dat lukt niet en dat moet je niet willen, anders is het onveilig. Maar het kan best.”

Dus dan zouden de spuitgasten in het Brabantse Lage Mierde wel degelijk kunnen blijven uitrukken? „Als je daar goed met elkaar over praat, dan is dat mogelijk.” En dat er steeds minder vrijwilligers te vinden zouden zijn? Nee hoor, zeggen ze bij de brandweer. Het is een mooi vak en als je mooie wervingsacties houdt, zegt brandweervrijwilliger Cees van Beek, dan komen de vrijwilligers vanzelf. „De kleefkracht van de kazerne moet groter.”

    • Arjen Schreuder