Zeg het met bomen

Graven, hertogen en nieuwe rijken gaven er in de 18de eeuw vermogens aan uit: de Engelse landschapstuin. Aan de god van deze peperdure scheppingen is nu een biografie gewijd.

English stately home. Andreas von Einsiedel / Hollandse Hoogte Onderdeel van een serie. Andreas von Einsiedel/Hollands>

Jane Brown: The Omnipotent Magician. Lancelot ‘Capability’ Brown 1716-1783. Chatto & Windus, 384 blz. € 26,50

God schiep de wereld, maar in Engeland verbeterde Capability Brown zijn schepping. Sommigen vermoeden dat Engelands bekendste landschapsarchitect zelfs de hemel onder handen heeft genomen. In The Omnipotent Magician. Lancelot ‘Capability’ Brown 1716-1783 haalt Jane Brown (geen familie) een grapje aan van de dichter Richard Owen Cambridge. Die zei eens dat hij hoopte eerder te sterven dan Capability Brown, want dan kon hij tenminste nog de hemel zien voordat Brown die had verbeterd.

Hoe grondig Lancelot Brown Engeland heeft veranderd, is te zien op het kaartje voor in The Omnipotent Magician. Hierop staan slechts de belangrijkste landschapstuinen die Brown heeft ontworpen. Het zijn er 79. De noordelijkste, Alnwick, ligt boven Newcastle en de zuidelijkste, Appuldurcombe, op het Isle of Wight. Deze tuinen, waarvan de Britse tuinhistorica Jane Brown keurig heeft aangegeven of ze publiek toegankelijk zijn, hebben vaak kolossale afmetingen. Ook de ongeveer 150 meren die Capability Brown tijdens zijn leven heeft gemaakt, zijn zo groot dat Thomas Linley, de Engelse Mozart en zoon van de hertog en hertogin van Ancaster, in een ervan op 22-jarige leeftijd verdronk nadat hij 90 meter had gezwommen.

De landschapstuin, buiten Engeland ook bekend als ‘Engelse tuin’, is een vreemd fenomeen. Wie bijvoorbeeld naar Blenheim Palace gaat, het barokpaleis dat architect John Vanbrugh niet ver van Oxford bouwde voor de hertog van Marlborough, kan moeilijk zien waar de door Capability Brown ontworpen tuin van zo’n 800 hectare ophoudt en het omringende Engelse landschap begint. Sterker nog, ook dichtbij het paleis krijg je nauwelijks het gevoel dat je in een tuin bent.

De oorzaak hiervan is eenvoudig: het bestaande landschap was het uitgangpunt voor de landschapstuin. De ontwerper moest op zoek gaan naar de genius loci, de geest van de plek, vond de Engelse dichter Alexander Pope (1688- 1744), die met zijn tuin om zijn villa in Twickenham een pionier van de landschapstuin werd. ‘Consult the genius of the place in all; / That tells the waters or to rise or fall’, dichtte hij in 1725. Negen jaar later vergeleek Pope tuinieren met schilderen. ‘Alle tuinieren is landschapschilderen; een tuin is als een opgehangen landschapschilderij’, schreef hij toen in een brief.

Net als in een schilderij kreeg elke boom in een ‘natuurlijke tuin’ een weloverwogen plaats en werden tempeltjes en andere gebouwen zorgvuldig als blikvangers in het landschap geplaatst. Hierbij waren schilderijen van ideale landschappen vaak de inspiratiebron. Vooral van de in Engeland populaire Franse schilder Claude Lorrain (1600-1688) kreeg Brown regelmatig een schilderij te zien en zei de opdrachtgever: ‘Zo ongeveer moet het worden.’

Zelf vergeleek Capability Brown zijn ontwerpen liever met schrijven. ‘„Kijk daar,” zei hij terwijl hij wees, „daar zet ik een komma”,’ zo beschreef Hannah More in 1782 de uitleg van Brown over een van zijn tuinen. „En daar, waar een beslistere wending nodig is, zet ik een zuil neer. En ergens anders, waar een onderbreking gewenst is om het zicht te breken, een tussenzin. Nu een punt, en dan begin ik aan een ander onderwerp.”

De landschapstuin werd een grote en langdurige mode in het 18de- eeuwse Engeland. Graven, hertogen en nieuwe rijken, zoals de bankier Drummond, gaven er vermogens aan uit. En al zagen de tuinen er vaak zo natuurlijk uit dat ze niet leken ontworpen, de aanleg van een goede landschapstuin was een gigantische onderneming. Rivieren werden afgedamd om meren te maken, heuvels werden afgegraven of juist opgeworpen, stukken bos gekapt of aangelegd en als paleizen, huizen, kerken en zelfs complete dorpen het uitzicht bedierven, werden ze verplaatst naar een betere plek. Vaak nam de aanleg vele jaren in beslag – met sommige tuinen is Brown 25 jaar bezig geweest. En als ze dan eindelijk af waren, konden ze pas na tientallen jaren ten volle worden genoten: de meeste opdrachtgevers hebben hun landschapstuinen nooit volgroeid gezien.

Hoe geliefd Capability Brown onder de machtigen van Engeland ook was – hij schopte het tot hoofdtuinier van Hampton Court, een van de paleizen van de Engelse koning – hij was niet onomstreden. Critici hekelden zijn rigoureuze aanpak van het landschap en vonden dat hij onnodig oude tuinen en paleizen sloopte en bossen liet kappen. Hofarchitect William Chambers (1723-1796), een rivaal van Capability Brown die pleitte voor natuurlijke tuinen à la Chinoise, vond de onzichtbare overgang tussen tuin en landschap juist het zwakke punt van de landschapstuinen. ‘In Engeland waar de oude stijl wordt veracht en een nieuwe in zwang is gekomen, verschillen onze tuinen nauwelijks van de velden, zo nauwgezet is de gewone natuur gekopieerd,’ schreef hij in 1772 in een boek over oosterse tuinen waaruit Jane Brown citeert. ‘Een vreemdeling weet niet of hij nu in een weiland loopt of in een lustoord.’

Aan de vraag hoe het komt dat half Engeland in de 18de eeuw veranderde in een landschapstuin, wijdt Brown maar een paar zinnen: ‘Onzekerheid is vaak gesuggereerd als een oorzaak van de populariteit van van de Engelse landschapsstijl. Die zou de behoefte hebben opgeroepen om een stuk Engeland te verwerven, af te schermen en te verfraaien voor het geval dat de grote wereld te ondraaglijk werd.’ Erg sterk is deze verklaring niet. Onzekerheid is tenslotte van alle tijden: ook de 17de eeuw had in Engeland zijn onzekere periodes – van 1642 tot 1651 kende het land zelfs een burgeroorlog – maar van landschapstuinen was toen nog geen spoor te bekennen. Bovendien zijn tuinen van oudsher toevluchtsoorden, maar is het opmerkelijke van landschapstuinen juist dat ze met hun onzichtbare grenzen het tegendeel van een hortus conclusus, besloten tuin, zijn.

Al even summier is Brown over het ontstaan en ontwikkeling van de natuurlijke-tuinstijl. De pioniers van de landschapstuin, zoals William Kent, komen slechts zijdelings ter sprake; en hoe Capability Brown hun ideeën toepaste op ongekend grote schaal legt ze weer in een paar moeizame zinnen uit: ‘Hij bracht [...] de eeuwenoude kunde van het beheer van boerenland en landgoederen in het gareel, maar met een karakteristieke bezieling, en besefte misschien langzaam dat hij door dit te doen gewoon land veranderde in landschap. Het woord landscape kwam toen net op, afgeleid van het Nederlandse landskip. Landscape was niet een woord dat Lancelot gebruikte, hoewel hij al gauw werd omringd door dichter en schilders die dat wel deden.’

Van de ontwerpen van Capability Brown die ze heeft kunnen achterhalen, beschrijft Brown vooral de zakelijke kant. Ze is in vele archieven van adellijke families, landgoederen en banken gedoken en doet daar uitvoerig verslag van. Van elk jaar vermeldt ze welke gebieden Lancelot Brown onder handen nam, wie de opdrachtgevers waren (en met ze waren getrouwd en door wie ze werden opgevolgd) en hoeveel Brown er voor betaald kreeg. Het resultaat is een uitputtende reeks getallen en vooral namen, namen en nog eens namen, van hertogen, bankiers en politici, van steden, dorpen en gehuchten en van straten, wegen en lanen.

Hierdoor komt Capability Brown nauwelijks tot leven. Dat is niet helemaal de schuld van Jane Brown: over zijn persoonlijke leven bestaan nu weinig bronnen. Lancelot Brown was een man van daden, niet van woorden. Behalve zakelijke brieven en een kasboek heeft hij weinig geschreven. Hij was bijna altijd op reis, kriskras door Engeland, van landgoed naar buitenplaats, en in de brieven die hij in de laatste jaren van zijn leven schreef aan zijn vrouw liet hij weinig los over zichzelf. Wel weet Brown dat hun huwelijk gelukkig was, al overleden vier van hun negen kinderen.

Met theorieën hield Capability Brown zich ook al niet bezig. Als zoon van een vader die opzichter van een landgoed was, leerde hij het tuinieren in praktijk. Zijn leerjaren had hij op Stowe in Buckinghamshire, een van de eerste en beroemdste landschapstuinen. Toen hij in 1738 als zelfstandig tuinman begon, nam zijn carrière, met steun van politici als William Pitt, een hoge vlucht. Hij bleek een tovenaarsleerling, vooral kundig in het aanleggen van niet lekkende meren. Toch kreeg hij zijn bijnaam niet wegens zijn kundigheid, schrijft Brown, maar omdat capability een stopwoordje was. Steeds had hij het over de capabilities van het landschap dat hij onder handen wilde nemen als hij zijn opdrachtgevers wilde overtuigen van de juistheid van zijn ontwerp.

Van 28 september t/m 8 januari 2012 is in Teylers Museum in Haarlem het eerste, grote overzicht in Nederland van het werk van de Franse landschapschilder Claude Lorrain te zien. Het is een co-productie van Teylers Museum en het Parijse Louvre. Als voorproef presenteert het Haarlemse museum nu al (t/m 18 september) zo’n 15 tekeningen van Lorrain, die zich liet inspireren door de landschappen rond zijn woonplaats Rome. Tegelijkertijd is de serie Park Portraits van Rineke Dijkstra te zien, want ‘de problemen die Dijkstra tegenkwam bij haar parkfoto’s, blijken vergelijkbaar met die van Lorrain’, aldus het museum.

    • Bernard Hulsman