Wie moet de beul zijn? En wie graaft het massagraf?

Jiri Weil: Mendelssohn is on the Roof. Met een voorwoord van Philip Roth. Daunt Books, 273 blz. €14,-

Het is op het oog geen moeilijk bevel. Mendelssohn is op het dak en hij moet daar af. Het dak van de Praagse Muziekacademie is plat, maar de SS’er in spe Julius Schlesinger heeft hoogtevrees en een joods klinkende naam. Hij kan zich niet veroorloven een order slecht uit te voeren. Het bevel komt duidelijk van Heel Hoog, waarschijnlijk van Reinhard Heidrich zelf, de ‘slager van Praag’, de Reichsprotektor van Bohemen en Moravië, voorzitter van de Wannsee-conferentie waar tot de uitroeiing van de joden werd besloten. Schlesinger vraagt twee andere mannen het beeld eraf te halen. Maar wie is Mendelssohn? Er staan geen namen bij. Ah wacht, het zal het beeld zijn met de grootste neus.

Maar dat blijkt Wagner te zijn.

De opening van deze roman van de Tsjechische schrijver Jiri Weil (1900- 1959) lijkt regelrechte kafkaëske satire. Maar vrijwel meteen vanaf de volgende hoofdstukken is duidelijk dat de twee grondtonen van dit aangrijpende boekje – de uitvoering van het bevel en de macht van het symbool – vooral als de bouwstenen van de kafkaëske nachtmerrie fungeren.

Jiri Weil was in zijn jonge jaren een communist, maar brak later met de communistische partij. Tijdens de Tweede Wereldoorlog ontliep hij deportatie door zijn eigen dood te ensceneren en onder te duiken. Na de oorlog werkte hij als journalist en later als directeur van het Joods Museum in Praag. In Mendelssohn is on the Roof komt een joodse geleerde voor die gedwongen wordt een museumzaal over het dagelijks leven van zijn volk in te richten, met poppen als joden. De echte joden zijn dan allemaal al op transport gezet.

Na strese je Mendelssohn verscheen in 1960 postuum, het duurde tot 1990 totdat het in het Engels vertaald werd. Een ander boek van Weil, Leven met een ster, verscheen in 1989 in vertaling bij Van Gennep. Mendelssohn is on the Roof is onlangs na twintig jaar heruitgegeven in het Engels. Het verdient ‘herontdekking’, uitgave en een groot lezerspubliek in Nederland, net als het werk van Karel Capek, Hans Fallada en Hans Keilson hier al ten deel viel.

In korte onopgesmukte zinnen gaat het om het leven in Praag onder het meedogenloze bewind van Heydrich, die halverwege door een aanslag om het leven komt – overigens ook het thema in de recente roman HhhH (‘Himmlers hersenen heten Heydrich’) van de Fransman Laurent Binet. Weil geeft zijn vertelstem aan een handvol inwoners van de stad, van Heydrich zelf tot de ondergedoken joodse kinderen Adela en Greta, en aan Richard, een Praagse bewaker die allengs wredere klussen krijgt opgedragen en die ook uitvoert, tot hij getuige moet zijn bij een executie van negen onschuldigen en in verzet komt.

Al deze mensen krijgen te maken met de gevolgen van orders, bevelen en verordeningen. In de verhalen zien we hoe de order de rangen langs gaat, alle gelederen corrumpeert en medeplichtig maakt, van mensen vraagt zich te verloochenen, van anderen intense vernederingen en pijnen te doorstaan. Fase voor fase beschrijft Weil hoe een executiebevel zijn beslag krijgt. Een ontwerper moet een galg maken voor zijn landgenoten. Wie worden er gedwongen toe te kijken? Wie moet er beul zijn? Wie het massagraf graven? Men wringt zich in bochten of wordt gebroken. En het eind van een bevel is steeds hetzelfde: verdwijnen, vermorzelen, vermoorden.

Heydrichs streven is helder en onwrikbaar: de stad moet in het nazigareel passen. Sommige symbolen, zoals standbeelden liedjes en muziekstukken, blijken daarbij zo rijk aan betekenis dat ze hieraan ontsnappen. Andere symbolen – cijfers, letters grafieken – zijn voor een moordpartij bij uitstek geschikt. ‘De dood loerde in de honderden documenten, in de dossiermappen, in de onteigeningen, in de foto’s van huizen, villa’s en fabrieken. Hij hield zich op in handtekeningen en symbolen, afkortingen en initialen, stempels en grafieken.’ Eerst gaan de grafieken omhoog, en dan naar beneden, keurig, regelmatig, ‘and they fade into nothingness’.

Het bureaucratische moorden is geen nieuw motief. Maar Weils gebruik ervan vaagt dat besef weg. Lees dit boek, u zult het niet vergeten.