Wees vrij, zeg nee

In de nieuwe roman van Aravind Adiga houdt een flatbewoner dapper stand tegen een projectontwikkelaar. Publieke werken in Mumbai? Nee, ‘Adiga roept om te beginnen meer vragen op dan Rosenboom’.

TO GO WITH: India-literature-economy-property-Adiga, FEATURE INTERVIEW by Adam Plowright (FILES) In a file picture taken on October 14, 2008 Indian writer Aravind Adiga poses with his book "The White Tiger" after winning the 2008 Booker Prize in London. The background of millions of personal struggles between the forces of economic development and those clinging to their homes has been taken up by one of India's brightest young literary talents in his second novel. Aravind Adiga, whose debut novel "The White Tiger" won the Booker prize in 2008, sets his new book in a scruffy tower block in his adopted home of Mumbai, a swirling mass of 16 million people, slums, apartment buildings and Bollywood. AFP PHOTO/Shaun Curry AFP

Aravind Adiga: Last Man in Tower. Atlantic Books, 422 blz. € 20,-. De vertaling, van Arjaan van Nimwegen, verschijnt 18 aug. bij Bezige Bij

Elke moesson is een aanslag op Mumbai. Muren verpulveren, wat geverfd is wordt zwart van de schimmel, riolen lopen over en waterleidingen gaan eraan. Zo ook in het gebouw waar het om draait in De laatste man in de toren, de nieuwe roman van de Indiase schrijver en Booker Prize-winnaar (2008) Aravind Adiga.

Het leek allemaal zo mooi in 1959, toen een roze gebouw werd neergezet met een plaquette ter ere van de verjaardag van Nehru. Dit gebouw symboliseerde het nieuwe India, een plek waar eerst gewone katholieken woonden en al snel keurige hindoes bij kwamen, en waarin sinds de jaren tachtig zelfs enkele ‘oké-moslims’ werden geaccepteerd. De bewoners vormden samen de ideale coöperatie: saamhorigheid en een conciërge zorgden voor de nodige rust van de bewoners uit de middenklasse.

Alleen de flat komt te midden van sloppenwijken te staan, de muren krijgen zwammen, water is er zelden en na elke moesson is het onzeker of het gebouw blijft staan. Ook de onderlinge relaties worden moeizamer: bewoners controleren elkaars vuilnis om te zien wie wat doet en wanneer. Ideale omstandigheden dus voor een projectontwikkelaar die zijn zinnen zet op stadsland. Deze projectontwikkelaar, Dharmen Shah, doet de bewoners van de flat dan ook een genereus aanbod. Onder het motto ‘Je moet respect hebben voor de menselijke hebzucht’ biedt hij twee keer de marktwaarde voor de woningen, op voorwaarde dat de flats binnen afzienbare tijd leeg staan. Velen happen toe, extra aangemoedigd door een doos met ‘cashewgebakjes, in diamantvorm gesneden’.

Vier bewoners stemmen tegen, maar zij worden vrij snel overgehaald. Eentje omdat er kinderen in de Verenigde Staten financieel bijgestaan moeten worden, een ander omdat er een kind met Down-syndroom goede verzorging nodig heeft. De derde omdat ze weliswaar communist is, maar daar toch weinig financiële voordelen in ziet.

Eén man blijft weigeren: Masterji de weduwnaar, vader van een zoon en een dode dochter, en oud-docent. Hij heeft niets met materiële zaken, hij wil bij zijn herinneringen aan zijn vrouw en dochter blijven, gelooft bovendien in de idealen van de coöperatie en in het idee dat ultieme vrijheid inhoudt dat je nee mag zeggen. Een gevaarlijk standpunt wanneer je met een projectontwikkelaar als Shah van doen hebt.

Publieke Werken van Thomas Rosenboom in Mumbai? De overeenkomst is oppervlakkig: dit is géén Publieke werken. Adiga schrijft vanuit maatschappelijke betrokkenheid, bij Rosenbooms historische roman gaat het over een man die verkeerd gokt en dus alles kwijtraakt. Zijn poging tot financieel gewin gaat bovendien niet ten koste van een hele groep: het hotel dat de man wil uitkopen wordt om het huis heen gebouwd. Een verhaal kortom waarin je de teloorgang van een man ziet die uiteindelijk niets krijgt; over hebzucht en psychologie, niet over projectontwikkelaars en de onderklasse.

Adiga wil zijn lezers duidelijk een boodschap meegeven (geen eenduidige), het gaat hem niet louter om de psychologie die bij Rosenboom centraal staat. De laatste man in de toren toont de gevolgen van de onpersoonlijke, economische groei. Een groei die belangrijk is voor India, maar die ook ten koste gaat van individuen en die weinig tot niets oplevert voor de armste mensen in India.

Wat vooral opvalt is dat Adiga meer vragen oproept dan Rosenboom. Want elke lezer zal meer sympathie hebben voor Masterji dan voor de proleterige Shah. En iedereen houdt van mensen met principes, zolang ze maar op papier leven. Maar naarmate de roman vordert, vraag je je vaker af: hoe nobel is het standpunt van Masterji wanneer dat ten koste gaat van de andere bewoners? Wegen principes altijd zwaarder dan praktische overwegingen? En waar liggen de grenzen van emotionele chantage, zoals de moeder van het kind met het syndroom van Down die toepast?

Hoewel Adiga alle beweegredenen van de bewoners, de conciërge, de vastgoedmakelaar en de projectontwikkelaar zelf uiteenzet, kiest hij uiteindelijk toch partij voor Masterji. Het loopt weliswaar slecht met hem af, maar hij is de hoop voor de toekomst. ‘Niets kan een levend wezen dat vrij wil zijn tegenhouden’, is de conclusie.

Een merkwaardige slotsom van een veelzijdige roman, waarin natuurlijk niets deugt van het doen en laten van de mensen die zich wel laten omkopen. Toch is het jammer dat Adiga tot een moralistische slotsom komt, alsof hij de consequenties wanneer de praktijk het wint van de principes niet durfde te nemen. Tegelijkertijd is die moraal misschien wel onontkoombaar wanneer je over de middenklasse schrijft.

In verhalen over de laagste kasten is dat vanzelfsprekender: geen romanschrijver zal het de armen kwalijk nemen dat ze op de onderste ladder van de maatschappij staan. Schrijf je over een bevolkingsgroep zonder vrije wil – omdat ze er domweg de middelen niet voor hebben en omdat ze vast zitten in een kastensysteem waardoor het beklimmen van de maatschappelijke ladder onmogelijk is – dan is je boek al snel een aanklacht. Je neemt het op voor de mensen die geen stem hebben, je houding is bij voorbaat nobel en een verantwoording is niet nodig.

Maar schrijf je over de middenklasse dan zal een verantwoording wél nodig zijn. Waarom zou je sympathie oproepen voor mensen die niet de underdog zijn in een land vol underdogs? In De witte tijger plaatste Adiga het India van het Licht (de rijken en de middenklasse) duidelijk tegenover het India van het Donker (de armen). In beide vorige boeken ging het hem om het India van het Donker. In zijn nieuwe roman beschrijft hij de veranderingen die India ondergaat via het India van het Licht – een wereld die rijker is, maar even wrang. En om te tonen dat het hem om die wrangheid gaat, en om de veranderingen die India ondergaat, zal hij zich meer geroepen hebben gevoeld partij te kiezen.

De vraag is dan natuurlijk wel: is schrijven over de middenklasse in India saaier dan schrijven over armen? Nee. Adiga mengt in De laatste man in de toren de sterke kanten van zijn twee eerdere boeken. Geen eenmansperspectief zoals in De witte tijger, geen overheersende woede zodat de humor buiten schot blijft zoals in de verhalenbundel Tussen de aanslagen. Adiga blijft weliswaar nog steeds een boos chroniqueur, maar wel eentje die zijn land vanuit verschillende invalshoeken wil belichten.

In een essay in The Sunday Guardian, een jaar geleden legde Adiga uit dat het werk van William Golding, George Orwell en George Bernard Shaw hem gevormd had: allen schrijvers die oog hadden voor de moeizame verhouding tussen individuele en politieke doelen. De laatste man in de toren is door de verschillende perspectieven ingewikkelder dan zijn vorige boeken, maar de missie is gelijk gebleven: het vormgeven van het veranderende India.

In een interview met NRC Handelsblad (Boeken (24-10-08) zei Adiga over de missie van De witte tijger: ‘Je moet je land kritisch tegen het licht houden. Dat is een essentieel onderdeel van de natievorming. Doe je dat niet, dan verspil je je potentieel. Ik heb lol beleefd aan het schrijven van De witte tijger, maar het was in veel opzichten een haast sadomasochistische oefening, die ik nooit hoop te hoeven herhalen. Alle Indiërs vinden het moeilijk om om zichzelf te lachen. Ik ook.’ Gelukkig wilde Adiga de oefening nog wel een keer herhalen, maar dan vanuit het India van het Licht. Dat hij nu de tegenovergestelde wereld koos, pleit voor hem – hij heeft het lef om niet te blijven hangen in het onderwerp waarmee hij succes had. Bovendien: alles wat goed was aan het debuut is er weer, maar dan vanuit het andere, bredere, perspectief.

    • Toef Jaeger