Wees vrij, zeg nee

Aravind Adiga won de Booker Prize omdat hij zonder kerrie-kitsch de laagste kaste neerzette.

Hoe goed is hij wanneer hij over de rijkeren schrijft?

Nieuwbouw in de krottenwijken van Mumbai. Foto Indranil Mukherjee Rain falls in the backdrop of the skyline in Mumbai, India, Sunday, July 1, 2007. Life in the rain-battered city got back on track Sunday as flood waters receded from waterlogged areas and traffic was normal in most parts, but an immediate respite from rains appeared unlikely as the met department forecast heavy downpours in the city according to a news report. (AP Photo/ Gautam Singh) ASSOCIATED PRESS

Elke moesson is een aanslag op Mumbai. Muren verpulveren, wat geverfd is wordt zwart van de schimmel, riolen lopen over en waterleidingen gaan eraan. Zo ook in het gebouw waar het om draait in De laatste man in de toren, de nieuwe roman van de Indiase schrijver en Booker Prize-winnaar (2008) Aravind Adiga.

Het leek allemaal zo mooi in 1959, toen een roze gebouw werd neergezet met een plaquette ter ere van de verjaardag van Nehru. Dit gebouw symboliseerde het nieuwe India, een plek waar eerst gewone katholieken woonden en al snel keurige hindoes bijkwamen, en waarin sinds de jaren tachtig zelfs enkele ‘oké-moslims’ werden geaccepteerd. De bewoners vormden samen de ideale coöperatie: saamhorigheid en een conciërge zorgden voor de nodige rust van de bewoners uit de middenklasse.

Alleen de flat komt te midden van sloppenwijken te staan, de muren krijgen zwammen, water is er zelden en na elke moesson is het onzeker of het gebouw blijft staan. Ook de onderlinge relaties worden moeizamer: bewoners controleren elkaars vuilnis om te zien wie wat doet en wanneer. Ideale omstandigheden dus voor een projectontwikkelaar die zijn zinnen zet op stadsland. Deze projectontwikkelaar, Dharmen Shah, doet de bewoners van de flat dan ook een genereus aanbod. Onder het motto ‘Je moet respect hebben voor de menselijke hebzucht’ biedt hij twee keer de marktwaarde voor de woningen, op voorwaarde dat de flats snel leeg staan. Velen happen toe, extra aangemoedigd door een doos met ‘cashewgebakjes, in diamantvorm gesneden’.

Vier bewoners stemmen tegen, maar zij worden vrij snel overgehaald. Eentje omdat er kinderen in de Verenigde Staten financieel bijgestaan moeten worden, een ander omdat er een kind met downsyndroom goede verzorging nodig heeft. De derde omdat ze weliswaar communist is, maar daar toch weinig financiële voordelen in ziet. Eén man blijft weigeren: Masterji de weduwnaar, vader van een zoon en een dode dochter, en oud-docent. Hij heeft niets met materiële zaken, hij wil bij zijn herinneringen blijven, gelooft bovendien in de idealen van de coöperatie en in het idee dat ultieme vrijheid inhoudt dat je nee mag zeggen. Een gevaarlijk standpunt wanneer je met een projectontwikkelaar als Shah van doen hebt.

Publieke Werken van Thomas Rosenboom in Mumbai? De overeenkomst is oppervlakkig. Adiga schrijft vanuit maatschappelijke betrokkenheid, bij Rosenbooms historische roman gaat het over een man die verkeerd gokt en dus alles kwijtraakt. Zijn poging tot financieel gewin gaat bovendien niet ten koste van een hele groep: het hotel dat de man wil uitkopen wordt om het huis heen gebouwd.

Adiga wil zijn lezers duidelijk een boodschap meegeven (geen eenduidige), het gaat hem niet louter om de psychologie die bij Rosenboom centraal staat. De laatste man in de toren toont de gevolgen van de onpersoonlijke, economische groei. Een groei die belangrijk is voor India, maar die ook ten koste gaat van individuen en die weinig tot niets oplevert voor de armste mensen in India.

Wat vooral opvalt is dat Adiga vragen oproept. Elke lezer zal meer sympathiseren met Masterji dan met de proleterige Shah. En iedereen houdt van mensen met principes, zolang ze maar op papier leven. Naarmate de roman vordert, vraag je je vaker af: hoe nobel is het standpunt van Masterji wanneer dat ten koste gaat van de andere bewoners? Wegen principes altijd zwaarder dan praktische overwegingen? En waar liggen de grenzen van emotionele chantage, zoals de moeder van het kind met het syndroom van Down die toepast?

Hoewel Adiga alle beweegredenen van de bewoners, de conciërge, de vastgoedmakelaar en de projectontwikkelaar zelf uiteenzet, kiest hij uiteindelijk toch partij voor Masterji. Het loopt weliswaar slecht met hem af, maar hij is de hoop voor de toekomst. ‘Niets kan een levend wezen dat vrij wil zijn tegenhouden’, is de conclusie.

Een merkwaardige slotsom van een veelzijdige roman, waarin natuurlijk niets deugt van het doen en laten van de mensen die zich wel laten omkopen. Toch is het jammer dat Adiga tot een moralistische slotsom komt, alsof hij de consequenties wanneer de praktijk het wint van de principes niet durfde te nemen. Maar misschien is moraal wel onontkoombaar wanneer je over de middenklasse schrijft.

In verhalen over de laagste kasten is dat vanzelfsprekender: geen romanschrijver zal het de armen kwalijk nemen dat ze op de onderste ladder van de maatschappij staan. Schrijf je over een bevolkingsgroep zonder vrije wil – omdat ze vast zitten in een kastensysteem waardoor het beklimmen van de maatschappelijke ladder onmogelijk is – dan is je boek al snel een aanklacht. Je neemt het op voor de mensen die geen stem hebben, je houding is bij voorbaat nobel en een verantwoording is niet nodig.

Maar schrijf je over de middenklasse dan zal een verantwoording wél nodig zijn. Waarom zou je sympathie oproepen voor mensen die niet de underdog zijn in een land vol underdogs? In De witte tijger plaatste Adiga het India van het Licht (de rijken en de middenklasse) tegenover het India van het Donker (de armen). In zijn vorige boeken ging het hem om het India van het Donker, zonder de gevreesde kerrie-kitsch die je vaker tegenkomt in romans over India. In zijn nieuwe roman beschrijft hij de veranderingen die India ondergaat via het India van het Licht – een wereld die rijker is, maar even wrang. En om te tonen dat het hem om die wrangheid gaat, en om de veranderingen die India ondergaat, zal hij zich meer geroepen hebben gevoeld partij te kiezen.

De vraag is dan natuurlijk wel: is schrijven over de middenklasse in India saaier dan schrijven over armen? Nee. Adiga mengt in De laatste man in de toren de sterke kanten van zijn twee eerdere boeken. Geen eenmansperspectief zoals in De witte tijger, geen overheersende woede zodat de humor buiten schot blijft zoals in de verhalenbundel Tussen de aanslagen. Adiga blijft weliswaar een boos chroniqueur, maar wel eentje die zijn land vanuit verschillende invalshoeken wil belichten.

In een essay in The Sunday Guardian, een jaar geleden legde Adiga uit dat het werk van William Golding, George Orwell en George Bernard Shaw hem had gevormd: allen schrijvers die oog hadden voor de moeizame verhouding tussen individuele en politieke doelen. De laatste man in de toren is door de verschillende perspectieven ingewikkelder dan zijn vorige boeken, maar de missie bleef gelijk: het vormgeven van veranderend India.

In een interview met NRC Handelsblad zei Adiga over de missie van De witte tijger: ‘Je moet je land kritisch tegen het licht houden. Dat is een essentieel onderdeel van de natievorming. Doe je dat niet, dan verspil je je potentieel. Ik heb lol beleefd aan het schrijven van De witte tijger, maar het was in veel opzichten een haast sadomasochistische oefening, die ik nooit hoop te hoeven herhalen. Alle Indiërs vinden het moeilijk om om zichzelf te lachen. Ik ook.’ Gelukkig wilde Adiga de oefening nog wel een keer herhalen, maar dan vanuit het India van het Licht. Dat hij nu de tegenovergestelde wereld koos, pleit voor hem – hij heeft het lef om niet te blijven hangen in het onderwerp waarmee hij succes had. Bovendien: alles wat goed was aan het debuut is er weer, maar dan vanuit het andere, bredere, perspectief.

Aravind Adiga: Last man in Tower. Atlantic Books, 422 blz. € 19,99. De Nederlandse vertaling verschijnt 18 augustus.