We zijn ons brein niet

‘Langzaam doodmartelen”, hoorde ik mezelf zeggen.

Wat?

Het ging over Anders Breivik natuurlijk, daags nadat hij zijn moordpartij had gepleegd. „In het openbaar ophangen”, zei een vriendin. Een redelijke rechter, aan wie ik vroeg waarom die Breivik niet de doodstraf zou moeten krijgen, keek geschokt en zei: „De doodstraf, nee!”

Waarom niet, vroeg ik wraakzuchtig. „Het argument ertegen, dat je je zou kunnen vergissen, geldt hier niet. Hang hem maar op!”

„Ik wil hem zien tuchten!” zei de redelijke rechter. „Levenslang!”

Ik stelde me Anders Breivik voor, voorbereidingen treffend voor zijn aanslagen. Dat met die bom, daarmee zou hij de mensen een doodschrik bezorgen, maar hij moet nog iets anders hebben gewild. Het moest iets zijn wat hemzelf plezier zou doen: mensen doodschieten, gewoon rustig mikken en dan schieten, horen hoe ze om genade roepen, zien hoe ze wegrennen – aanleggen en dan schieten. Jonge mensen, dat zou het aantrekkelijkst zijn.

Het kan niet anders of hij heeft dat fijn gevonden. Zo lang over zo’n eiland zwerven met een geweer en zo precies te werk gaan – dat is geen paniek. Dat is geen opwelling. Dat is wellust, waarschijnlijk ondersteund door geloof in de eigen zaak. Daardoor kon zijn geweten dit aan, tenzij hij helemaal geen geweten heeft. In dat geval is hij ernstig psychisch gestoord. Tot nu toe bestaan daarvoor nog geen nadere aanwijzingen, behalve zijn daden.

Of kon hij misschien niet anders? Was niet hij, maar zijn brein de schuldige? Dit is een onmogelijke tegenstelling. Als wij ons brein zouden zijn, kun je niet een ‘zelf’ hebben buiten dat brein om.

We zijn ons brein niet, al beweert een bestsellertitel nog zo van wel. Auteur Dick Swaab van die bestseller lijkt zijn eigen titel niet echt te geloven. Hij herhaalde hem afgelopen zondagavond wel, bij Zomergasten, maar sprekend over pedofielen zei hij: de aanleg is er bij de geboorte. Daar is niets aan te doen. Vervolgens zei hij: met goede begeleiding, met ook het verstrekken van – virtuele – kinderporno, kan zo iemand zijn impulsen goed beheersen en een normaal leven leiden.

Ons brein is dus niet bepaald onwrikbaar. We kunnen heel goed dingen leren en onze breinimpulsen corrigeren. We zijn geen marionetten aan de touwtjes van een geheel gedetermineerd brein.

Neurosofen willen ons dat om de een of andere reden graag doen geloven. Onze reacties zouden geheel worden ingegeven door oncontroleerbare en onbewuste processen in ons brein. Pas achteraf komen wij daar met bewuste verhalen achteraan, om net te doen of we in redelijkheid en in vrijheid iets hebben beslist.

Neem evenwel iets heel gewoons. Iemand vertelde dat hij, al zeker twintig jaar geleden, een man zijn hand in het tasje van een vrouw zag steken, kennelijk met de bedoeling om haar portemonnee te roven. Voordat hij wist wat hij deed, had de verteller de arm van de rover gepakt. Hij had tegen hem geschreeuwd dat hij dat had te laten. Waar bemoei jij je mee?, had de berover geschreeuwd. Met jou!, had de verteller teruggebruld. Hij voegde eraan toe: „Nu zou ik dat zo gauw niet meer doen.”

Wat eerst een impulshandeling was waarover hij niet hoefde na te denken, een reflex bijna, dat doet hij nu niet meer, omdat hij inmiddels zo vaak bewust erover heeft nagedacht, en over de gevolgen, en over hoe de wereld is veranderd en over hoeveel meer messen en pistolen door overvallers worden gedragen. Hij durft zoiets niet meer. Omstanders die vroeger ingrepen, doen nu vaak niets.

Dat is het gevolg van een bewust proces, van nadenken. Het brein dat wij zijn, geeft ons blijkbaar de mogelijkheid om op allerlei manieren te handelen – manieren die we onszelf kunnen aanleren.

Vrije wil is een illusie, zei Swaab. Dat is best. Hij had het begrip vrije wil nog niet gedefinieerd. Niemand weet wat hij ermee bedoelde, maar enige bewuste invloed op onze daden hebben we wel.

Anders Breivik handelde niet in een oncontroleerbare impuls. Hij heeft jarenlang bewust zijn acties gepland. Hij heeft mogelijkheden overwogen. Hij heeft zich voorstellingen gemaakt van wat hij zou doen en van wat daarna zou gebeuren. Hij zou de wereld uitleggen wat hij bedoelde. Mensen zouden naar hem luisteren – en hij zou het gevang indraaien, natuurlijk.

Hij heeft de tijd gehad om te besluiten om dit alles toch maar niet te doen. Zo gaat het als je langer over iets kunt nadenken. Dan kun je er ook van afzien.

Inmiddels heeft mijn brein allang weer die eerste, woeste impulsen gecorrigeerd. Dat van dat doodmartelen is weggefilterd. Dat wilde ik helemaal niet. Dat zei ik maar. Ik wil immers helemaal geen staat die mensen betaalt om zoiets te doen. Sterker nog, daartegen zou ik me met hand en tand verzetten. Evenmin wil ik een overheid die iemand laat ophangen door een beul in staatsdienst. Opsluiten is beter – levenslang.

Dat is eigenlijk erger, fluistert mijn brein zachtjes.

    • Marjoleine de Vos