Taalverwarring

Als ik in Italië een restaurant belde om een tafeltje te reserveren en ze vroegen naar mijn naam, zei ik altijd maar dat ik Pietro Strada heette, want ik vermoedde dat de naam Peter van Straaten halsbrekende toeren zou vergen om op te schrijven of te onthouden. In Frankrijk gaf ik om dezelfde redenen Pierre de la Rue als naam op.

Toen ik in mijn jonge jaren nog kampeerde en in Frankrijk mijn tentje aan de oever van de rivier had opgezet, kreeg ik gezelschap van een bejaarde Engelsman, die op de fiets door Frankrijk reisde. Hij zette zijn tentje naast het mijne. We raakten in gesprek. Samen liepen we naar de oever van de rivier. „Ah”, riep hij verheugd uit, „the lawyer!” Even dacht ik dat hij zijn advocaat aan de overkant ontwaarde, maar al na enkele seconden besefte ik dat hij de Loire bedoelde.

In Zweden raakte ik een keer in gesprek met een Zweeds meisje. Engels was onze voertaal. Waar ik vandaan kwam? Aha, Holland! Daar was ze eens geweest. Waar? Kende ik Bath Bow Callow? Na langdurig heen en weer gepraat kwam ik er eindelijk achter dat ze Bad Boekelo bedoelde.

Maar ook bij het aan het Nederlands verwante Vlaams zijn misverstanden niet te voorkomen. Ik lunchte eens met een Vlaamse uitgever. Wijn bij het eten, natuurlijk. Gulzig nam ik een veel te grote slok, verslikte me en kreeg een verstikkende hoestbui, waar ik bijna in gebleven was als hij mij niet krachtig op de rug geslagen had. Bezorgd vroeg hij mij: „Hebt ge dat nog?” „Nee”, antwoordde ik, „nu is het over.” Dat bleek een misverstand. Hij bedoelde: „Heb je dat wel meer?”

We hebben al de euro, voor zolang het duurt ten minste, maar zou het niet aardig zijn als we ook nog Europees gingen spreken?