Moed maakt tragische helden

Rafik Schami: Het geheim van de kalligraaf. Vert. uit het Duits door Sander Hoving. Wereldbibliotheek, 381 blz. €22,50.

Verboden liefde. Zij bloeit in landen met weinig vrijheid. Wie echt van stiekeme erotiek wil genieten, moet naar het Midden-Oosten.

Die indruk althans krijgt de lezer van Het geheim van de kalligraaf. Rafik Schami (1946) situeert zijn roman in de Syrische hoofdstad Damascus en daar wemelt het van de playboys, prostituees en hunkerende huisvrouwen. Een koffiehuisbaas stapt in bed met een bange bodybuilder; een rijke rokkenjager brengt het hoofd op hol van een koele hoer; een zwoele kapster fluistert haar vrouwelijke klanten geile woordjes in het oor.

Het zijn weliswaar de voor Syrië erg liberale jaren vijftig, jaren zonder moorddadige dictators, maar de patriarchale Arabische cultuur houdt het volk nog stevig in haar greep. Door de enorme kloof tussen de seksen komen gelukkige huwelijken weinig voor. Ook de vrouwen, die onderling openlijk over hun mannen klagen, houden de ongelijkheid ijverig in stand. Ze leren een jonge bruid: ‘Je zult heersen door je aan hem te onderwerpen.’ Alsof ze naar haar vijand gaat, zo voelt dat bruidje zich. Haar man heeft ze nog nooit gezien. Nura, want zo heet zij, is uitgehuwelijkt aan een beroemde kalligraaf.

Hamid Farsi wil de Arabische taal hervormen. Achterlijke woorden moeten eruit, nieuwe begrippen, ‘die onze intrede in de beschaving mogelijk maken’, moeten er volgens hem in. Maar binnenshuis laat deze progressieveling zich van een conservatievere kant zien. Drie keer per week dwingt hij Nura tot seks. ‘In bed was ze bang voor hem, doodsbang, en ze verstijfde. Hij werd kwaad. „Slaap ik soms met een lijk!” Ze voelde een grotere woede dan ooit. Toen ze van hem weg wilde schuiven, sloeg hij haar.’

Dan wandelt Salman haar leven binnen. De loopjongen van de kalligraaf mag tussen de middag het eten ophalen dat Nura voor haar man heeft gekookt. Zo vallen een arme christen en een welgestelde getrouwde moslima elkaar in de armen. Twee zielsverwanten vinden elkaar.

Schami verwijlt nooit lang bij dit mooie liefdespaar. Hij volgt een wet van de Arabische samenleving en maakt het individu (of het dubbele daarvan, het koppel) ondergeschikt aan het collectief. Dat reageert als een Grieks koor op de gebeurtenissen: het verspreidt geruchten. Ze zwellen aan, die geruchten, ze krijgen mythische trekjes. Zo roddelt men op een dag over Nura’s vlucht. Terwijl wij weten dat zij er met Salman vandoor is, kletsen de mensen over Nassri Abbani, de rijke rokkenjager. Hij zou Nura het hoofd op hol hebben gebracht met behulp van liefdesbrieven.

Maar Nassri Abbani, weten wij dan weer, schreef die vurige brieven niet zelf. Hij liet ze schrijven door de kalligraaf. Wist hij veel dat dat de man was van de geheimzinnige schoonheid die hij zo ongeduldig aanbad. Een misverstand is geboren. Het leidt tot verwikkelingen die in een thriller niet zouden misstaan. Politieke intriges komen daar nog bij. De hervormers van de Arabische taal, onder leiding van Hamid Farsi, stuiten op fel verzet. Wie aan het Arabisch komt, komt aan de Koran, menen bebaarde fanatici. Met sinister geweld proberen zij elke vernieuwing in de kiem te smoren.

En dat terwijl Rafik Schami nu eens géén politiek boek wilde schrijven! Das Geheimnis des Kalligraphen (2008) moest over een onbekommerde periode in de Syrische geschiedenis gaan. Zelf hield Schami, in Damascus geboren en getogen, het tot 1971 in Syrië uit. Hij vluchtte naar Duitsland toen hij de repressie niet meer kon verdragen. Dictator Assad was aan de macht gekomen; arrestatiegolven overspoelden het land; de mensen leefden in angst. En Schami (toen nog: Suhail Fadil) had gegronde redenen om voor zijn leven te vrezen, want hij maakte een verboden muurkrant.

Romans ging hij pas schrijven toen hij veilig en wel in Duitsland zat. Hij schreef ze direct in het Duits. De zoon van Aramese christenen is daar in Duitsland een bestsellerauteur geworden. Zijn carrière begon trouwens niet met literatuur maar met een scheikundestudie. In Het geheim van de kalligraaf buit hij zijn alchemistische kennis uit. De kalligraaf Hamid Farsi is niet alleen op zoek naar het volmaakte schrift maar ook naar de perfecte inkt. Schami beschrijft die zoektocht zo serieus dat we al gauw beseffen: wat de grote schilders voor Europa zijn, dat zijn de grote kalligrafen voor het Midden-Oosten. Hamid Farsi is een kunstenaar – die voor zijn kunst moet lijden.

Het tweede deel van de roman geeft ruimte voor zíjn kijk op de zaak. Vanuit de gevangenis overdenkt hij zijn leven. En ineens voel je voor deze koele kikker een zweem van sympathie. Zijn moed maakt van hem een held. Een tragische held zelfs, omdat hij de kunst niet met het leven kon combineren. En Schami kon Farsi’s perspectief niet met het hoofdverhaal combineren. Bovendien: had dat hoofdverhaal niet wat strakker gekund?

Zo blijf je zitten met een verdeeld gevoel. Je ergert je aan de omslachtige opbouw van dit boek. En je koestert de schat aan verhalen die Schami je in de schoot heeft geworpen. Door al die verhalen is Damascus een beetje onze stad geworden. We zijn de worsteling met vroomheid en vrijheid, met traditie en tolerantie enigszins gaan begrijpen. De verscheurdheid van de maatschappij is op ons overgebracht. En zo heeft de schrijver toch zijn doel bereikt, via omwegen.