Kritiek onder rechters is ongewenst

Wie leest het weblog van de Amsterdamse boekhandel Athenaeum? Ik niet. Maar dat moet dus anders, want een recensie die rechter Peter Kop daar schreef kostte hem zo maar een herbenoeming bij het Gerechtshof Amsterdam. Hoe een oud-lid van de Hoge Raad alsnog ongeschikt wordt bevonden als invaller Kop had namelijk het recht van van

Wie leest het weblog van de Amsterdamse boekhandel Athenaeum? Ik niet. Maar dat moet dus anders, want een recensie die rechter Peter Kop daar schreef kostte hem zo maar een herbenoeming bij het Gerechtshof Amsterdam.

Hoe een oud-lid van de Hoge Raad alsnog ongeschikt wordt bevonden als invaller

Kop had namelijk het recht van van collega Tom Schalken om kritiek op de rechters in de Wilders zaak te hebben, verdedigd. Weliswaar maar in twee zinnetjes. Maar daarin had president Leendert Verheij voldoende kritiek op de rechtspraak gelezen om Kop weer van zijn lijst raadsherenplaatsvervangers af te voeren. Verheij vindt namelijk dat rechters die elkaar kritiseren de rechtspraak schaden.

„Gelukkig liet Schalken zich niet inperken”, had Kop in zijn stukje geschreven. Helemaal mis dus. Hij vindt dat Schalken wel grond voor bitterheid heeft en ruimte moet hebben om dat te vertellen. Waarop Verheij van Kop eiste dat nooit meer te herhalen. Op schrift graag. Die vertikte dat natuurlijk. Alsof Kop nooit eerder fungeerde binnen de beperkingen van het rechtersambt.

Wat is hier aan de hand? Gaat dit alleen over lange tenen, gekwetste ego’s en de behoefte een punt te maken? Of steekt het dieper? En gaat dit over de vrijheid van meningsuiting, de behoefte van rechters om naar elkaar te luisteren en dus over het lerende vermogen van de rechterlijke organisatie. Dan gaat het namelijk ook over veranderingsgezindheid en contact tussen rechtspraak en samenleving. Daarmee is het dan niet best gesteld. De weigering om Kop (weer) toe te laten tot het Hof Amsterdam is een symbolische beslissing, die ook zo bedoeld is. En dat is vrij ernstig.

Rechtshistoricus Peter Kop (64) is een gepensioneerd lid van de Hoge Raad en oud fulltime raadsheer van het Amsterdamse Hof. Hij werkte zo’n 26 jaar als rechter. Een herbenoeming als deeltijdraadsheer/invaller bij ‘zijn’ Hof Amsterdam is dan een hamerstuk. Wat nu gebeurt is behalve een geweigerde benoeming, ook een sanctie. Een vertrouwensbreuk, die de woordvoerder van het Hof desgevraagd onderbouwt met een verwijzing naar een wetsbepaling. Daarin wordt rechter- plaatsvervangers verboden „gedachten of gevoelens te openbaren” waardoor naar het oordeel van de president „het goede functioneren van de rechterlijke macht niet in redelijkheid zou zijn verzekerd”. Kop wordt nu dus officieel gezien als een los kanon op het dek. Jaren in de Hoge Raad gezeten, maar ‘niet in redelijkheid’ in staat om goed te functioneren als invalrechter, wegens te grote mond.

De pijn zit in de Wilderszaak, die deels over het Hof zelf ging. Raadsheer Schalken was de zwakke plek, omdat hij ruim anderhalf jaar ná de beslissing Wilders toch te laten vervolgen, de fout maakte om bij een dinertje te discussiëren met een aanstaande getuige-deskundige. Dat gaf de verdediging de kans om de rechtspraak verdacht te maken, met veel mediasucces. Het vervolg is bekend. Wilders werd vrijgesproken. Schalken had volgens de rechtbank geen enkele formele regel overtreden, maar toch onverstandig gehandeld. Vooral omdat hij te veel ruimte voor misverstanden had gelaten, die Wilders met kracht het Hof wist aan te wrijven. Deeltijdrechter Schalken had geen antenne voor een politiek mediaproces.

Daarop nam Schalken ontslag en luchtte in de krant en in een boek zijn gemoed, nu als ex-rechter. Hij voelde zich enerzijds gebruikt als boksbal maar ook weer bevestigd door het vonnis. Hij had géén regels geschonden, geen getuigen beïnvloed, maar alleen een ‘schijn’ van inmenging gewekt. Alleen wordt die schijn niet door feiten ondersteund, zegt hij. En daarmee is ‘beeldvorming’ door de rechtbank als zelfstandig feit erkend. De kletspraat over het etentje was dus kletspraat, maar wordt hem desondanks als feit aangerekend. Kop noemt dat in zijn bespreking ‘niet zeer helder’ en ‘minder elegant’ jegens Schalken. Daartegen mag een mens zich verweren, meent Kop. Ook als hij rechter is (geweest).

Is met deze openbare mening het aanzien van de rechtspraak geschaad? President Verheij vindt van wel, want Kop moet z’n toga ophangen. En de overige Amsterdamse raadsheren weten waar ze aan toe zijn. Die zijn dus gekneveld.

    • Folkert Jensma