Helpt het kopen van spelers?

Er is nauwelijks een verband tussen transfers en succes, volgens de Britse journalist en NRC-columnist Simon Kuper. Hij schreef samen met hoogleraar economie Stefan Szymanski het boek Dure spitsen scoren niet. Hij schat de kans dat een gekochte speler slaagt op 60 procent.

Volgens Kuper zijn er een paar redenen waarom transfers vaak mislukken. De belangrijkste: spelers uit het buitenland hebben last van aanpassingsproblemen, die de clubs niet herkennen. Ze hebben last van heimwee of moeite met culturele verschillen. Cuper: „Als je wilt dat een speler altijd 100 procent voluit gaat tijdens een training moet je geen Braziliaan kopen. En accepteer ook eens dat ze soms te laat komen.”

Daarnaast: de verwachtingen zijn vaak te hoog gespannen, vooral bij grote clubs. Bij Feyenoord werden bijvoorbeeld spelers als Elmander en Bastos (nu Braziliaans international) al vrij snel als miskopen bestempeld. Tip van Kuper: geef een speler eerst een half jaar de tijd om te wennen.

Toch lijkt het op het eerste gezicht alsof de clubs met het meeste succes veel spelers kopen. Dat klopt niet helemaal. De grote clubs zijn de clubs, die de hoge salarissen betalen, volgens Kuper veel belangrijker dan goede transferinkopen doen.

Door hoge salarissen kunnen clubs hun beste spelers behouden en deze aanvullen met gerichte transferinkopen. Arsenal en Barcelona zijn daarvan de beste voorbeelden. Kuper: „Koop zo min mogelijk, betaal zoveel mogelijk salaris.” Al gaat dit niet altijd op: voordat de Russische oliemiljardair Abramovitsj zich met het Londense Chelsea ging bemoeien en met miljoenen overal topspelers vandaan lokte was de club niet meer dan een goede middenmoter.