'Een knagend geweten is de uitzondering'

Met Ik was Amerika, een in uitgebeend proza geschreven roman over de vriendschap tussen een Nederlandse nazi en een zwarte Texaan, won Gustaaf Peek (36) dit jaar de BNG Nieuwe Literatuurprijs. Hij had de 15.000 euro al kunnen krijgen voor zijn tweede roman Dover, waarin hij zich had bewezen als een geëngageerd auteur die niet over zijn eigen leven maar over de grote wereld schrijft. Een gesprek met een streng stilist die zich sterk maakt voor meer plot en avontuur in romans. En die zich ergert aan clichématige pessimisten: ,,Het goede dat leeft in the heart of darkness – dat is het echte menselijke mysterie. Mensen zijn beesten? Snurk! Ga liever op zoek naar het onverwachte moment van liefde.”

Gustaaf Peek Katrijn Van Giel katrijn van giel

‘Ik was Amerika’ heet uw recentste roman, die zich onder meer in Texas en Californië afspeelt. Wat maakt de VS interessant voor een jonge Hollandse schrijver?

„Het idee voor de roman kwam toen ik een jaar of vijf geleden een krantenartikel las over een Duitse veteraan. Hij had de Tweede Wereldoorlog doorgebracht in een krijgsgevangenenkamp in Texas. Daar keek ik al van op, maar hij bleek zestig jaar na dato nog steeds verontwaardigd over de manier waarop witte Amerikanen de zwarte behandelden. Een nazi en een antisemiet die zich bekommerden om een gediscrimineerde groep – daar zat een verhaal in. Nog belangrijker: een verhaal dat ik kon situeren in een land dat me altijd heeft gefascineerd; het onderwerp van mijn studie amerikanistiek; de bakermat van de schrijvers die ik bewonder.”

U bént Amerika?

„De Amerikaanse Droom is lang de mijne geweest. Als je jong bent, is het idee dat je jezelf telkens opnieuw kan uitvinden heel aantrekkelijk. Ja, als je ouder wordt ook, maar er verandert toch iets als je geconfronteerd wordt met de werkelijkheid. Amerika is een eerste-, een tweede- en een derdewereldland tegelijk. Ik zou niet kunnen zeggen wat het échte Amerika is – niet New York of Los Angeles, en ook niet het Midden-Westen. In elk geval heb ik nooit eenzamere plekken gezien dan in de VS, plaatsen waar je jezelf totaal kwijt kunt raken, of op zijn minst van de radar kunt halen. Heel inspirerend. ‘Ik was Amerika’ moet klinken als een verzuchting, alle personages hebben ooit in hun leven gedacht dat ze Amerika waren, maar die illusie zijn ze kwijt.”

De roman gaat in de eerste plaats over de last van het verleden.

„Over herinneringen, ja. Er zijn drie hoofdpersonen en ze gaan allemaal anders om met hun geheugen en met de trauma’s uit het verleden. Er is een jonge vrouw, Jennifer, die niets meer te maken wil hebben met waar ze vandaan komt en die alleen maar vooruit wil. Er is Harris, de oude zwarte man die lijdt onder het gewicht van het verleden: het racisme op het Texaanse platteland, de dood van zijn vrouw. En er is zijn vriend uit de oorlog, de half-Duitse Nederlander Dirk, die het verleden achter zich kan laten wanneer hij daar maar zin in heeft.

,,In Dirks geheugen zitten geen hobbels; hij is de ideale leugenaar – een personage waarmee ik duidelijk kon maken hoe makkelijk mensen de vervelende, hinderlijke dingen uit hun verleden kunnen vergeten. In literatuur en films wordt meestal gedaan alsof mensen daar hun best voor moeten doen, maar zo is het natuurlijk niet. En als een individu daar geen moeite mee heeft, dan het collectief, een land als Amerika, al helemaal niet. Een knagend geweten is de uitzondering.”

Rassenverhoudingen in ‘Ik was Amerika’. De wereld van de illegaal in ‘Dover’. De naoorlogse wereldgeschiedenis in ‘Armin’. Is uw eigen leven niet interessant genoeg om over te schrijven?

„Tja, write about what you know, zeggen ze. Maar daar zit ’m nu juist de moeilijkheid. Als je wilt schrijven over de wereld die je kent, moet je eerst weten wie je bent. Uiteindelijk gaan mijn boeken juist over dat soort vragen: wie ben ik, hoe ben ik zo geworden en heb ik mezelf wel door? I write about what I feel. Mijn personages mogen dan niet lijken op die midden-dertiger die met vrouw en kind in Amsterdam woont, ze zijn nauw verbonden met hoe ik naar de wereld kijk en met de vragen die ik heb. Armin gaat over de waarde van een bloedband; wat betekent familie voor een mens, en wanneer ís iemand familie? Dover stelt weer andere vragen. Wat doen illegalen eigenlijk als ze binnengesmokkeld zijn? Hoe werkt zo’n schaduweconomie van onder-de-radar-arbeiders? Wat drijft de migrant? Hoe eenzaam moet je zijn om alles achter te laten? Is het geld het allemaal wel waard?”

Een geëngageerd boek.

„Maar geen pamflet, al wilde ik ook het cynisme laten zien van mensen die wegkijken bij zo’n schaduweconomie van illegalen. Het moet niet expliciet worden. Toen ik in Ik was Amerika over het krijgsgevangenkamp schreef, had ik Guantánamo in mijn achterhoofd, maar dat mocht niet in het boek komen. Engagement is: laten zien hoe de werkelijkheid in elkaar zit, hoe tegenstellingen de wereld bepalen. De wereld is niet grijs; zwart en wit wisselen elkaar in onregelmatige volgorde af, tussen alle slechtheid zit af en toe iets goeds. Het goede dat leeft in the heart of darkness – dat is het echte menselijke mysterie. Mensen zijn beesten? Snurk! Ga liever op zoek naar het onverwachte moment van liefde. Twee illegalen met een gewelddadig verleden die samen theedrinken; een mensensmokkelaar die tederheid tentoonspreidt, zonder dat hij daarmee een goed mens wordt, natuurlijk.”

Waarom zit er dan zo veel geweld in uw boeken?

„De wereld is gewelddadig, dat wil ik lezen – en dus beschrijven. Wat ik in de Nederlandse literatuur altijd gemist heb, is wat je de taal van geweld zou kunnen noemen. Hoe beschrijf je dat iemand opgehangen, gemarteld wordt? Schrijvers als Hermans en Wolkers beschrijven wel gewelddadige handelingen, maar het gevoel van dreiging ontbreekt in hun boeken. De enige die die wereld van geweld goed kon oproepen was de Nederlands-Indische schrijver Vincent Mahieu, alias Tjalie Robinson. In de bundels Tjies en Tjoek werkte hij met afgemeten zinnen, net als ik, en durfde af en toe barok los te gaan.”

Gebruikten Hermans en Wolkers niet net als u de oorlog om morele kwesties aan de orde te stellen?

„In twee van mijn boeken speelt de Tweede Wereldoorlog een rol, maar mijn romans zijn geen oorlogsromans. Met de typerende naoorlogse thematiek van goed tegen fout, collaboratie en verzet, houd ik me niet bezig. Voor jongere schrijvers is de Tweede Wereldoorlog klaar.”

En dan toch die nazi’s in ‘Ik was Amerika’?

„Ja, een nazi die goed bevriend is met een zwarte man, maar die net zo gemakkelijk in staat is tot grove misdaden; een gewone jongen die bij toeval in een fout gezin geboren wordt. Dat wilde ik laten zien. Als je ziet hoe makkelijk een ander zich aan beestachtigheid overgeeft, schrikken we misschien van onszelf.”

De meeste van uw personages zijn mensen in de marge. Wilt u stem geven aan de stemlozen, of – zoals het heet in ‘Dover’ – ‘van de woorden weer mensen maken’?

„Zeker, maar marginale figuren zijn ook gewoon complexer dan de mensen met wie ik dagelijks omga; ze zitten dichter bij de morele grenzen. Er is genoeg geschreven over de problemen van de comfortabele middenklasse; ik geef het woord aan andere groepen. Schrijvers moeten échte boeken uitbrengen, zo streng mogelijk. Geef de cynici geen argumenten om te zeggen: het zijn toch maar prutsers, laat ze hun eigen boontjes doppen. Wees er trots op dat je een kunstenaar bent, en draag dat uit.”

Wat maakt een schrijver tot kunstenaar?

„En geen woordboer of entrepreneur? Om te beginnen stijl. Hoed je voor clichés, schrijf declarative sentences, heldere zinnen die volgen op goedlopende andere zinnen. Gebruik geen vage of subjectieve bijvoeglijk naamwoorden; rood en koud mogen, mooi en leuk niet. Beschrijf de wereld zó dat ze voor de lezer oprijst zonder dat ze haar mysterie verliest; denk aan Hemingway, die precies de juiste woorden koos en altijd wat te raden overliet. Kies het juiste perspectief om je verhaal te vertellen en hou dat consequent vast; ga niet zwabberen. En last but not least: schrijf je boek op je eigen voorwaarden.”

Dat klinkt algemeen. Doet niet elke schrijver dat, ook een ‘entrepreneur’ als Heleen van Royen?

„Mevrouw Van Royen is een merk, ze mag met haar verkopen niet onder een bepaalde grens komen; op die voorwaarde maakt zij haar boeken. Overigens is ze eerlijk in wat ze doet en wat ze nastreeft; kunstenaar zal ze zichzelf niet noemen. Iets wat andere schrijvers juist wel zouden moeten doen – als je maar ferm staat op de juiste schouders, zaken vindt die anderen niet eerder hebben gevonden of dingen verbindt die anderen niet eerder hebben verbonden.”

Is dat niet erg veel gevraagd?

„Ik wil laten zien dat de literatuur een standaard heeft, ik wil het beroep van schrijver hoog houden. Daarom ben ik ook toegetreden tot De Revisor, een tijdschrift dat probeert om ervaren auteurs scherp te houden en debutanten streng te begeleiden. Ik ben ervan overtuigd dat het lezen van bijzondere gedachten zorgt voor een bijzonder leven. Wie leest, leeft beter. Het is een veeg teken dat dat de opvoedkundige waarde van boeken steeds minder onderkend wordt. Mijn leraar klassieke talen zei altijd: jullie lezen boeken om kritische burgers te worden, en zo is het. Met literatuur kun je jezelf verheffen. En echt: er is niets mis met verhevenheid.”

Wordt uw idealisme getemperd door maatschappelijke trends als popularisering, ontlezing en teruglopende boekverkopen?

„Het is waar dat literatuur ooit populairder was dan tegenwoordig, maar dat heeft niets te maken met de kwaliteit. Boekverkopen kunnen slinken, dat zegt weinig over de staat van de literatuur. Goede literatuur is van alle tijden en altijd een nichemarkt, interessant voor een kleine groep. Maar in het perspectief van eeuwen is dat een grote groep. Het gaat erom wat overblijft. En om onderworpen te worden aan de tijd, moet een boek of kunstwerk er eerst zijn.”

Is ‘Ik was Amerika’ een boek dat overblijft?

„Ik zie mijn werk als onderdeel van een oeuvre. Een roman hoeft niet definitief te zijn; ik wil het gevoel hebben dat ik alles kan maken, mag maken. In de eerste plaats stilistisch. Nederlands is een koppige taal, geschikt voor voor de korte baan; ik wil de taal oprekken om grote verhalen te vertellen, want de echte narratieve traditie in Nederland staat in de kinderschoenen.”

Hoezo? We hebben toch Hermans, Haasse, Rosenboom, Enquist, Koch?

„Rosenboom is inderdaad een verteller; je ziet dat hij er steeds in slaagt eigen, vaak wat archaïsche talen te creëren waarin hij zijn grote verhalen kan vertellen. Maar in de meeste Nederlandse romans van naam is plot volkomen ondergewaardeerd. Max Havelaar? Een aaneenschakeling van losse verhalen. Nooit meer slapen? Daar gebeurt eigenlijk niks in. Het diner? Zo goed als plotloos. Het is geen toeval dat de Nobelprijs voor literatuur nooit naar Nederland is gegaan. Wij hebben geen kosmopolitische verhalenverteller zoals J.M.G. Le Clézio. Wij hebben niet eens een John Irving. Misschien ligt dat aan een gebrek aan ambitie; onze schrijvers zijn gewoon typisch Nederlands bescheiden.”

‘Don’t fence me in’, het refrein van een Cole Porter-liedje, is het motto van ‘Ik was Amerika’. Moeten we het ook zien als uw credo?

„Bij mijn onderzoek naar de Duitse krijgsgevangenen in Amerika bleek al gauw dat ze ‘Don’t Fence Me In’ tot hun lijflied hadden gemaakt. Ik kon er niet omheen, het was dé kamphit gedurende de oorlog, Maar inderdaad, ik heb ook liever geen hek om me heen. Het idee dat alles kan, dat is het mooiste.”

Gustaaf Peek: Ik was Amerika. Querido, 286 blz. € 17,95. Dit is de vijfde aflevering in een serie interviews met schrijvers die het afgelopen seizoen in het middelpunt van de belangstelling stonden. De eerdere gesprekken, te lezen via nrcboeken.nl, waren met Arnon Grunberg, Benny Lindelauf, Stine Jensen en Anil Ramdas.