Die aarzeling over Syrië is racistisch

In Libië konden we niet wachten met ingrijpen. Na het verzet in Syrië denken we dat dit land zonder dictator vervalt tot een burgeroorlog. Economisch belang vormt het verschil, zegt Leo Kwarten.

De opstand in Syrië is bijna vijf maanden oud. De veiligheidstroepen van president Assad hebben inmiddels meer dan zestienhonderd demonstranten gedood. Drieduizend anderen zijn verdwenen. Twaalfduizend Syriërs zitten opgesloten in de kerkers van het regime. Daar worden zelfs kinderen gemarteld. In de stad Hama, waar al in 1982 een opstand werd bedwongen ten koste van twintigduizend levens, worden momenteel – net als weleer – lijken van vermoorde opposanten in het water van de Orontes gegooid.

Toch kwam de Veiligheidsraad deze week pas met een verklaring die het geweld in Syrië veroordeelt. Let wel: het betreft een verklaring, geen officiële resolutie. Dat duidt op onvoldoende steun. Opmerkelijk is dat er „bij alle partijen op wordt aangedrongen te handelen met uiterste zelfbeheersing, en af te zien van vergelding, waaronder aanvallen op staatsinstellingen” – alsof het omhalen van standbeelden en incidentele brandstichting in verhouding staan tot de inzet van sluipschutters tegen ongewapende burgers.

De demonstranten in Libië gingen in maart heel wat voortvarender te werk. Binnen de kortste keren liepen ze rond met wapens. Ze verjoegen Gaddafi’s aanhangers en begonnen, hoe amateuristisch ook, aan een militair offensief.

Hoe anders handelde de Veiligheidsraad destijds. Binnen de kortste keren was resolutie 1973 een feit. Onder de mantel van humanitaire betrokkenheid zette het Westen militaire middelen in. Waarom worden de Syriërs, die louter geweldloos verzet plegen, dan niet beschermd?

De reden is dat de westerse belangen in Libië veel groter zijn dan in Syrië, in de vorm van olie, investeringen en migratie. Europa kan zich niet veroorloven om te worden gegijzeld door een intern Libisch conflict aan zijn zuidgrens en heeft besloten om in te grijpen. De Libische revolutie werd gebruikt voor het realiseren van een regime change.

Syrië is een ander verhaal. Daar is geen sprake van grote economische belangen en tja, we kunnen niet bezig blijven na Afghanistan, Irak en Libië. Bij deze conflicten hebben humanitaire overwegingen trouwens nooit een rol gespeeld.

Deze positie klinkt hardvochtig, maar valt te verdedigen. Wat niet te verdedigen valt, zijn de meer salonfähige redenen die sommigen aanvoeren. Zo wijst minister Rosenthal (Buitenlandse Zaken, VVD) onder meer op het pluralistische karakter van Syrië. Het vertrek van Assad zou leiden tot een burgeroorlog in het land, met regionale instabiliteit tot gevolg. Deze redenering is weinig subtiel en in feite racistisch. Ze impliceert immers dat Syriërs – en Arabieren in algemene zin – in tegenstelling tot andere volkeren niet in staat zijn tot democratie en alleen vreedzaam kunnen samenleven onder de laars van een dictator.

Deze redenering deed het ook goed in linkse kringen aan de vooravond van de invasie van Irak in 2003. Als het aan de tegenstanders van militair ingrijpen had gelegen, hadden de Irakezen nog steeds gezucht onder Saddam Hoessein. Tegenwoordig kent Irak democratie. Ondanks veel gesteggel tussen de partijen is Irak sneller in staat om een regering te formeren dan België. De weg naar een civil society in Irak was lang en bloedig, maar ik heb nooit een Irakees ontmoet die vond dat het beter was onder Saddam.

Met of zonder ingrijpen van de internationale gemeenschap zal ook Syrië deze weg bewandelen. Het Libische scenario ligt eerder in het verschiet dan dat van Egypte of Tunesië, met soldaten die deserteren en burgers die terugschieten. Van niemand, ook niet van Syriërs, kan worden verwacht dat ze zich weerloos laten afslachten. Ik heb goede hoop dat de Syriërs uiteindelijk erin zullen slagen om goede leiders te kiezen, die zich inzetten voor de opbouw van hun land en niet voor het destabiliseren van buurlanden en het sponsoren van terreurbewegingen.

Leo Kwarten is arabist.

    • Leo Kwarten