De modewereld is dubbelzinnig

De pas afgestudeerde ontwerper Magnus Dekker won de Frans Molenaar-prijs.

Nu droomt hij van een carrière in de internationale modewereld.

Bob van der Vlist, Zin, NRC Next 05-08-2011, Magnus Dekker, 02-08-2011 Amsterdam

„Een stamelende puber? Ja, dat zal ik vier jaar geleden best zijn geweest.” Magnus Dekker (21) moet glimlachen om de manier waarop zijn voormalig hoofddocent van ArtEZ, Matthijs Boelee, zijn toen 17-jarige verschijning aan de journalist had omschreven. „Ik was erg verlegen in de eerste.” Vier jaren Hogeschool voor de Kunsten en een diploma later is Dekker geen stamelende tiener meer. Hij weet goed wat hij wil en wie hij is. Maar verlegen is hij nog steeds. Ook dat weet hij van zichzelf. „Niet bij mijn vrienden. Of ja, misschien in eerste instantie ook bij mijn vrienden.”

In het cafeetje onder zijn woning in Arnhem, zijn eerste echte huis nadat hij zijn hele leven met zijn ouders op een woonboot in Amsterdam heeft gewoond, duurt het een paar minuten voordat Dekker de lichte trilling in zijn stem en handen onder controle weet te krijgen. Zijn zwarte colbertje hangt over zijn stoel. Zijn openhangende blouse is grijs, het shirt eronder wit.

Dekkers verschijning is een aardig contrast met de collectie waarmee de net afgestudeerde modeontwerper vorige maand op de Amsterdam International Fashion Week de Frans Molenaar-prijs heeft gewonnen. ‘Brutale Dekker’ werd hij door NRC Handelsblad genoemd. De show, geïnspireerd door uitbundige voetbalsupporters en kleurrijke wereldvlaggen, werd omschreven als een ‘kleurenexplosie’.

Voor iemand die in interviews zegt een hekel te hebben aan minimalisme en zich laat inspireren door de uitbundigheid van voetbalsupporters, is je verschijning niet enorm uitgesproken.

„Dat hoeft volgens mij ook niet. Je hebt de ontwerper en de groep waarvoor hij ontwerpt. En in mijn geval is dat een groep waar ik zelf niet bij hoor: vrouwen. Ik vind niet dat ik er dan zelf zo moet uitzien.”

Zou het anders zijn als je voor mannen ontwerpt?

„Ik heb in vier jaar school slechts één keer iets voor mannen ontworpen. Voor mannen ontwerp ik anders dan voor vrouwen. Bij een mannenstuk bedenk ik of ik het zelf zou aantrekken. Als dat niet het geval is, maak ik het niet. Bij vrouwen ontwerp ik gewoon. Denk ik vooral over hoe het stuk gaat overkomen.

„Ik heb nog overwogen om voor mijn afstudeercollectie een mannencollectie te maken, maar bij mannenmode draait het om de details; zitten de revers op de juiste plek, zijn de proporties goed? Voordat je een perfect jasje in elkaar hebt gezet, ben je jaren verder. Ben ík jaren verder. Ik ben namelijk niet zo goed in het handwerk en geld om het uit te besteden, had ik niet. Maar bij een collectie voor vrouwen kon ik direct banalere uitspraken doen. En dat is wat ik wilde met mijn eindexamenshow, mezelf uitspreken, mijn visie op de modewereld kenbaar maken. Het is toch de eerste uiting die je doet.”

Wat is je visie op de modewereld?

„Wat ik raar aan mode vind, maar me ook inspireert, is de dubbelzinnigheid ervan. Mensen willen met mode heel erg zichzelf zijn en zich onderscheiden, maar tegelijkertijd doet iedereen met diezelfde mode ook heel erg zijn best om erbij te horen, zich te conformeren. Dit heeft me geïnspireerd voor mijn afstudeercollectie.

„Ik ben begonnen met beelden van voetbalsupporters die ik tijdens het WK had verzameld, gecombineerd met foto’s die ik zelf in een militair museum in Parijs had gemaakt van militaire onderscheidingen, van die chique, mooie linten en sjerpen. Qua beeld waren de twee redelijk hetzelfde, de primaire kleuren, de intensiteit, maar ze betekenden het compleet tegenovergestelde. Voetbal supporten is de ultieme uiting van conformeren, een militaire onderscheiding is juist persoonsgebonden, uniek zelfs. Heel cool vond ik dat..”

Je hebt in je collectie voornamelijk de rastafarikleuren rood, geel, groen en zwart gebruikt. Was reggae een inspiratiebron?

„Ik heb inderdaad naar reggae geluisterd tijdens het maken van de collectie. En naar oude punk. Ik snapte het vroeger nooit als ontwerpers zeiden dat ze zich lieten inspireren door muziek, maar in mijn laatste jaar ben ik er toch dingen uit gaan halen. Niet de clichés, dus geen rastafarimutsjes of punkstuds, maar ik heb wel de kleuren van reggae gebruikt. Daar heb ik bewust voor gekozen nadat een van mijn ontwerpen opeens een gigantische Franse vlag bleek te zijn geworden. Met vier basiskleuren kon ik dit voorkomen. Bij punk en bands als de Sex Pistols en Public Image Ltd. was het meer het idee dat inspireerde. Punk is een anti-stroming, maar wel een die niet kan bestaan zonder datgene waar die zich tegen afzet.”

Waar wilde jij je tegen afzetten?

„Ik ben niet echt tevreden met het huidige modebeeld. Het is veel te saai. Vroeger, een paar jaar geleden zelfs, was het nog leuk om naar shows te kijken. Maar alles wordt almaar commerciëler, waardoor er bijna geen energie in de shows zit. Het is meer een optelsom van trends: dit zijn de basisitems, dus maken we daar een twintigtal sets van. Ik wilde met mijn eerste collectie juist niet zo zijn, haast anti.”

Was je als jonge jongen ook al zo met mode bezig?

„Nee, ik had zelfs nog nooit een modetijdschrift ingekeken voordat ik op school kwam. En van de designers kende ik enkel de grote namen.”

Hoe kwam je dan op een modeopleiding terecht?

„Ik ben al mijn hele leven aan het tekenen. Als ik als kind zei dat ik me verveelde, zeiden mijn ouders – die beiden kunstacademie hebben gedaan: ‘Ga maar tekenen.’ Vroeger wilde ik architect worden, net als mijn opa, maar toen ik van het vwo naar de havo ging liet ik dat plan varen. Om architect te worden, moest ik nog jarenlang doorleren, en ik was niet zo van naar school gaan.

„Toen ik keek wat de verdere opties waren, kwam ik op product design en mode uit. Ik vond mezelf niet zo’n modetype en het wereldje leek me hysterisch, maar toen ik hier in Arnhem kwam kijken, bleek het toch wel leuk. Toen we in de tweede begonnen met ontwerpen, wist ik dat het me lag. Maar pas tijdens mijn stage in de derde, wist ik dat dit het voor me is.”

Een oud-docent, ontwerper Hans Démoed, meent dat je zo snel mogelijk internationaal moet gaan. Mee eens?

„Het is zeker niet mijn bedoeling om in Nederland te blijven. No way. Veel ontwerpers blijven hangen in Nederland. Logisch, want in de afgesloten community van de Nederlandse modewereld kun je heel populair worden. Dan kom je in RTL Boulevard en denk je dat je het gemaakt hebt. En misschien verdien je er zelfs heel veel geld mee. Maar ik heb meer ambities.”

Namelijk?

„De shows in Parijs en Milaan, de mogelijkheden, het enorme budget, de grote zalen die ze daar hebben. Ik denk aan iemand als Jean Paul Gaultier die een gigantisch atelier heeft waar hij werkelijk alles tot zijn beschikking heeft, zelfs iemand die een zo goed als uitgestorven, middeleeuwse haaktechniek beheerst.”

Is dat de grote droom, de nieuwe Gaultier worden?

„Daar komt het wel op neer. Vooral omdat Gaultier de perfecte situatie voor zichzelf heeft gecreëerd; een enorm bedrijf en alles zelf in de hand.”

Is de droom haalbaar?

„Ja... Waarom niet? Natuurlijk zijn er obstakels, maar die kan ik toch proberen te nemen? Ik ben 21 en pas vier jaar intensief met mode bezig. Ik heb tot op heden nog niet het idee gehad dat ik ergens tekort kwam, dus kan ik ook nu nog niet weten waar het ophoudt.”

    • Anke Meijer