De jongens zien er strak uit in Turijn

Waarom zou je naar Turijn gaan?

Omdat het de hoofdstad van Fiat en dé filmstad van Italië was. En omdat de mannen aandachtig kijken als er een vrouw langsloopt.

48 uur in Turijn, elke drie uur een foto. Foto's Corinne van der Velden

De bus is te laat. Het is een oude Fiat-touringcar. De chauffeur loopt driftig rond de bus, kijkend hoe de reizigers – voornamelijk Italianen – hun koffers in het bagageruim zetten. Hij roept dat iedereen moet opschieten. Dit is de bus die twee keer per uur van de luchthaven naar het centrum van het Noord-Italiaanse Turijn rijdt. Terwijl we richting ons hotel rijden, tellen we de auto’s. Minstens een op de vier auto’s die passeren, is een Fiat.

De letters FIAT staan voor Fabbrica Italiana Automobili Torino. Turijn is sinds 1899 de hoofdvestiging van de Fiatfabrieken. Vanaf de jaren 60 worden de nieuwe fabrieken vooral gebouwd in het zuiden van Italië. Het hoofdkantoor van de fabriek staat nog in Turijn.

„Als je als Italiaan een Italiaanse auto koopt, krijg je korting”, vertelt student Stefania Priscaro (22). We ontmoeten haar in de bus. Maar de auto-industrie van Fiat verplaatst zich nu volgens haar naar andere landen. Priscaro: „Fiat is in crisis”. Aan de rand van het centrum ligt nog wel het Museo dell’ Automobilio, een museum met een collectie van tweehonderd verschillende Fiats.

Naast een hoofdstad voor de auto-industrie, was Turijn tot de Eerste Wereldoorlog dé filmstad van Italië. De broers Lumière gaven hier de eerste Italiaanse filmvoorstellingen. Daarna verplaatste de filmindustrie zich naar Rome. Maar Turijn heeft er een opvallend filmmuseum aan overgehouden. Het Mole Antonelliana domineert de skyline: het telt achttien verdiepingen en is 167 meter hoog.

Er zijn nog meer historisch gedenkwaardige zaken. Zo viert Italië dit jaar de 150ste verjaardag van de eenwording van het land. Turijn wordt in het speciaal hiervoor gemaakte feestelijke magazine Torino 2011 aangeprezen als „de creatieve hoofdstad van Italië”. En nog één weetje dan: van 1861 tot 1870 was Turijn even hoofdstad van Italië.

Het is dus feest in de stad. En de Turijners zijn er trots op. Aan bijna elke gevel in de stad zie je de Italiaanse vlag hangen. Zelfs aan een hijskraan en in bushokjes. De straten zijn schoon, de gebouwen goed onderhouden en overal hangen posters met aankondigingen van evenementen ter ere van de viering van de eenwording. Je kunt bijvoorbeeld naar de foto- en schilderijententoonstelling Making Italians in het Grandi Riparazioni. De voorstelling belooft „de vele gezichten van Italië” in de afgelopen 150 jaar te laten zien. Niet alleen door foto’s en schilderijen, maar ook door films, lezingen en verschillende modellen van Fiat.

Een ‘evenement’ dat niet verbonden is aan de viering, is een bezoek aan de lijkwade van Turijn. Dit moet volgens onze hoteleigenaresse – en onze reisgids – een van de belangrijkste bezienswaardigheden van de stad zijn. Deze lijkwade is een linnen kleed, wat door velen wordt gezien als de doek die na de kruisiging van Jezus om zijn lichaam werd gewikkeld. Er zou een vaag beeld op staan van een man die zijn handen heeft verwond.

Wij zijn benieuwd.

De relikwie wordt tentoongesteld in de grote San Lorenzo kerk. In de kerk zijn twee nonnen en een jong Italiaans gezin. Na lang zoeken vinden we de lijkwade, ergens linksachter in de kerk. Er hangt een doek van ongeveer één bij één meter met daarop de afdruk van het gezicht van een man met een baard. We kijken aandachtig. De twee nonnen beginnen direct te bidden als ze de doek zien.

Dit doek blijkt een impressie van de lijkwade. Het origineel is opgeborgen in een kist en de originele lijkwade wordt eens in de 25 jaar tentoongesteld aan publiek. Gelukkig kunnen we op een flatscreentelevisie ernaast goed zien hoe het origineel eruitziet.

Terug de stad in. Overdag bepalen vooral oude mannen het straatbeeld. Ze praten hard, voeren duiven in het park en kijken aandachtig als een jonge vrouw langsloopt. ’s Avonds maken de ouderen plaats voor de jongeren. Veel Italiaanse jongens zien er strak uit: een polo met kraagje omhoog, ringbaardje en glimmend haar van de gel. Ook zij kijken aandachtig als een jonge vrouw langsloopt.

Wat opvalt, is dat veel Italianen in Turijn niet goed Engels spreken. „Italianen willen geen andere taal leren”, zegt Stefania Priscaro, die we ’s ochtends in de bus hadden ontmoet. „Maar ze willen wel dat anderen Italiaans spreken.” Ze wijst naar haar vrienden die allemaal geen Engels spreken en vrolijk, niet-begrijpend naar ons glimlachen.

Ook in restaurant Coco’s spreken de obers niet over de grens. Daarom laten we de keuze voor ons gerecht aan hen over. Dat was een goed idee, de pasta met zeevruchten is erg lekker. Het grote bord is gevuld met schelpen, mosselen, scampi’s en een lichtpittige tomatensaus. Het blijkt een voorgerecht. Terwijl de mensen naast ons beginnen aan hun hoofdgerecht – kalfsvlees met een saus van tonijn – drinken wij nog een glas rosé en vragen de rekening. Het is 20 euro, inclusief een halve liter rosé.

De meeste nachtclubs liggen vlak naast de rivier de Po. Als we langs het water lopen, horen we de harde muziek al. Het duurt even voordat we weten waar het geluid vandaan komt. Maar als we vanaf de kade naar beneden kijken, zien we tientallen clubs liggen. Het lijkt op de Oudegracht in Utrecht. Maar dan met duizenden jongeren die er rondlopen.

Van buiten zien de clubs er aantrekkelijk uit. Bars staan op een plateau in het water en grote discolampen lokken bezoekers naar binnen. Binnen ziet het eruit als een grot: het is er donker en vochtig. De entree is gratis, maar zorg dat je het toegangskaartje dat je krijgt niet weggooit. Het is geen reclamefolder, zoals wij dachten. Met dit kaartje bestel je de drank die je bij het verlaten van de club betaalt. En ook al heb je geen drank besteld, als je dit kaartje kwijtraakt betaal je een boete van 20 euro.

Veertig euro armer bezoeken we de volgende ochtend het ‘Borgo Medievale’ in het Valentino park, het grootste park van Turijn. Dit ‘middeleeuws’ dorp is ontworpen in 1884, de entree is gratis. Bij de ingang veegt een vrouw de stoep schoon. Als we dichterbij komen, blijkt de vrouw een kartonnen bord te zijn. In het dorp staan veel kartonnen borden met daarop mensen afgebeeld. Achter de vrouw met de bezem staat een kartonnen oude man die lompen verkoopt. Naast de houten put twee jongetjes van karton met een katapult.

Het is druk in het dorp. Er lopen veel Duitsers en Fransen. Nu weten we meteen waar de toeristen zijn gebleven.

In het centrum hebben we ze niet gezien, daar waren vooral Italianen. In het dorp staan ongeveer tien huisjes van hout en steen waarin souvenirs worden verkocht. Er is ook een bar die ‘middeleeuwse wijn’ verkoopt voor 7 euro en ‘middeleeuwse kersentaart’ voor 3,50 euro. In de souvenirwinkels zijn katapulten te koop, een ridderharnas, oude pistolen, miniatuurridders en een aansteker.

Van Fiat.

Dit is het zesde deel in een serie reisreportages, waarvoor next-verslaggevers naar steden reizen die vanuit Nederland goedkoop bereikbaar zijn.