Dat altijd uitdagende land dat Roemenië heet

Jan Willem Bos: Mijn Roemenië. Atlas, 416 blz. € 24,95

Vertaler en publicist Jan Willem Bos geldt als de grootste pleitbezorger van de Roemeense literatuur binnen ons taalgebied. Drie jaar geleden verscheen bij Atlas zijn schitterende anthologie Moderne Roemeense verhalen. Bos heeft jaren in Boekarest gewoond en naar eigen zeggen veel te danken gehad aan ‘dat soms frustrerende, maar altijd uitdagende, boeiende en afwisselende land’.

In het hoofdstuk ‘Vijfendertig jaar geleden’ uit zijn nieuwste boek Mijn Roemenië schrijft hij, niet zonder nostalgie, over zijn eerste kennismaking met het land in de jaren zeventig, toen hij als beginnend student Roemeens in Amsterdam na een meerdaagse reis het beloofde land bereikte en meteen gegrepen werd door de gastvrijheid van de bewoners.

In zestig qua omvang en niveau sterk wisselende hoofdstukken besteedt Bos aandacht aan de rijke en gevarieerde Roemeense cultuur: het eten en drinken, de fatalistische houding tegenover de dood, de geliefde nationale dichter Eminescu, de rommelige hoofdstad Boekarest (‘een stad om lief te hebben en te haten’), de Romaanse taal en wortels of het obligate Kerstvarken. Sommige fragmenten lijken op reportages. Dat geldt voor het hoofdstuk over de armoedige noordelijke grensstreek Maramures of voor de bladzijden over het exotische en veelal door Turken bevolkte Donau-eilandje Ada-Kaleh, dat helaas heeft moeten wijken voor een waterkrachtcentrale.

Reportageachtig is ook het hoofdstuk ‘Eeuwige rust’ dat handelt over beroemde begraafplaatsen als Bellu (het ‘Père Lachaise van Boekarest’) of het zogenaamde ‘Vrolijke kerkhof’ van de noordelijke stad Sapânta, waar de dood door middel van gekleurde kruisen en ironisch-luchthartige rijmpjes bijna wordt gevierd. Symbolisch voor de Roemeense geschiedenis is het kerkhof van Timisoara, waar de Russische soldaten, de bevrijders van 1944-1945, begraven liggen naast de mensen die in 1989 bij de beroemde Kerstrevolutie in opstand kwamen tegen het communistische regime. ‘Hier ligt de moderne Roemeense geschiedenis op honderd vierkante meter, het lot van Oost-Europa’.

In de inleiding schrijft Bos: ‘Ik ben blij dat ik het land in zoveel aspecten heb gekend, inbegrepen de communistische periode.’ Bos wil niet verkeerd begrepen worden, voor de communistische staatsvorm had hij weinig sympathie. Maar het huidige Roemenië is volgens hem moeilijk te begrijpen zonder het dictatoriale verleden. Hoofdstukken over Nicolae Ceausescu en zijn geheime dienst Securitate herinneren eraan, evenals fragmenten over de drastische versoberingspolitiek van het toenmalige regime en de pogingen om het geboortecijfer op te krikken waardoor zelfs ‘de hopeloos slechte Chinese condooms’ van de markt verdwenen.

Soms gaat Bos nog iets verder terug in de geschiedenis en komt de 19de eeuw ter sprake. Roemenië is een betrekkelijk jonge natie wier verleden eeuwen werd bepaald door de drie omringende rijken: het Russische tsarenrijk, het Habsburgse Rijk en het Rijk van de Ottomaanse Turken. Pas in 1859 werden de vorstendommen Walachije en Moldavië, de kerngebieden van het huidige Roemenië, samengevoegd en in 1878 volledig onafhankelijk van de Turkse sultan. De westelijke helft van het land, de streek Transsylvanië (Siebenbürgen), waar veel etnische Hongaren en Duitstaligen wonen, werd zelfs pas na WO I bij Roemenië gevoegd.

Bos schrijft helder en toegankelijk, enthousiast en met een bewonderenswaardige kennis van zaken.