Cirkels draaien in een glazen pot

In een serie over bijzondere reisboeken komt deze week een exotisch eiland in het vizier. De schrijver maakt er bij stralend koraal en fonkelend gesteente een reis naar het einde van de nacht, en hij móet er doorheen.

Reproduction of Nikolai Rerikh's painting Ashram. Ceylon (1931) from the Tretyakov State Gallery collection. RIA Novosti

Nicolas Bouvier: De schorpioenvis. Vertaald uit het Frans door Floor Borsboom. Bas Lubberhuizen, 125 blz. € 17,90

‘Op reis, net zoals in het leven, kan het gebeuren dat de onvoorzichtige zwerver op een stiltegebied stuit, op een van die volkomen windstiltes waarin slappe zeilen een hele bemanning tot waanzin of scheurbuik veroordelen’. Zo beschrijft Nicolas Bouvier (1929-1998) zijn aankomst op het eiland Ceylon (nu Sri Lanka) in 1955. Hij leert hier de eenzaamheid kennen en raakt in een diepe depressie. Acht maanden zal hij op het eiland blijven voordat hij de kracht vindt verder te reizen naar Japan.

Strikt genomen is De schorpioenvis dus geen reisboek, maar het verslag van een reiziger die gestrand is en zaken met zichzelf heeft uit te vechten voor hij weer verder kan. Het is het vervolg op de wereldreis die Bouvier beschreef in De wegen van de wereld, een enthousiast en fris verslag dat hij samen met zijn vriend de tekenaar Thierry Vernet maakte. Begin jaren vijftig verliet hij zijn geboorteland Zwitserland om met een tweedehands Fiat Topolino de wereld in te trekken. Het boek verscheen in 1963 en is twee jaar geleden vertaald.

Het contrast tussen de twee boeken is groot. In De wegen van de wereld vertrekken twee jongens van 24 naar Belgrado om vanaf daar door Griekenland, Turkije, Iran en Pakistan te reizen en uiteindelijk uit te komen in Afghanistan. Samen zijn ze een goed team, hun enthousiasme brengt ze op de meest wonderlijke plekken en overal worden ze gastvrij ontvangen. Er is niets wat ze kan stoppen: autopech, geldgebrek, ziekte, ze slaan zich erdoorheen.

Kabul

Deze voorspoedige reis verandert wanneer Thierry op een dag uitroept dat hij er genoeg van heeft. Hij mist zijn geliefde Flo en wil niet langer meer op reis zijn, hij wil bij haar zijn. Ze spreken af dat hij in Kabul het vliegtuig zal nemen naar New Delhi om van daaruit naar het eiland Ceylon te gaan, waar hij zijn geliefde zal ontmoeten om met haar te trouwen. Nicolas zal met de auto door India verder reizen om het verliefde stel op de bruiloft terug te zien.

De schorpioenvis pakt het verhaal weer op in Ceylon. Thierry is getrouwd en met zijn geliefde teruggekeerd naar Europa. Nicolas staat er vanaf nu alleen voor en dit blijkt minder gemakkelijk dan verwacht. Constante beweging verandert in stilstand, enthousiasme slaat om in neerslachtigheid. ‘Vanavond was ik op een eiland. Ik had geen ervaring met eilanden die hun eigen problemen met zich meebrengen en oplossen.’

Vermoeid komt hij op Ceylon aan en al snel wordt hij zo ziek dat hij in het ziekenhuis moet worden opgenomen. Hij vindt er geen aansluiting met de eilandbewoners, die lamgeslagen door de zinderende hitte van de altijd schijnende zonroerloos stil, ‘als opgeprikte vlinders’, in hun huizen zitten en hij ergert zich aan hun geloof in magie, waarmee ze iedere vorm van verantwoordelijkheid voor hun handelen aan de kant schuiven. Zijn vrienden zijn vertrokken en de post vertelt hem dat zijn grote liefde binnenkort met een ander gaat trouwen.

Het duurt niet lang of ook Nicolas verzet zich niet langer tegen de verlamming op het eiland. Hij kan niet meer schrijven, niet meer denken en uiteindelijk zit ook hij, net als de andere eilandbewoners, urenlang stil in zijn stoel om de enige wezens te observeren die floreren in dit klimaat en hem gezelschap willen houden: de insecten. Het termietenleger dat zich ’s avonds al knagend en krakend een weg baant door de muren van zijn huis, de mieren die paden aanleggen in zijn kamer, de kevers zo groot als muizen en altijd de kakkerlakken die aan komen rennen en volkomen hulpeloos zijn wanneer ze op hun rug terecht komen. Het eiland mag een paradijs voor entomologen zijn, voor Nicolas is het eerder de hel van Jeroen Bosch. Steeds verder zinkt hij weg en wanneer hij op een avond in zee gaat zwemmen, beseft hij dat hij zelfs zijn herinneringen kwijt is, het enige gezelschap dat hem altijd behoed had voor de eenzaamheid.

Edelstenen

De schorpioenvis is een reis naar het einde van de nacht en Nicolas moet er helemaal doorheen. De edelstenen fonkelen, het koraal straalt en de zon tovert de bijzonderste vormen van leven tevoorschijn op Ceylon, maar bij Nicolas roept het alleen maar de vraag op: waarvoor is al deze overdaad nodig? Hij kijkt terug op zijn reizen en constateert: ‘Je reist niet om jezelf als een kerstboom op te tuigen met exotica en anekdotes, maar om jezelf kaal te plukken, uit te spoelen en uit te wringen tot je net zo’n versleten handdoekje bent als dat je met een stukje zeep in een bordeel krijgt aangereikt.’

Dat is een bittere conclusie na al die jaren van reizen, tegelijkertijd is het precies wat Bouvier zoekt: ‘Een stap op weg naar minder is een stap in de goede richting.’ Hij wil steeds verder tot de kern doordringen. Dit is ook wat hij gezocht heeft in De schorpioenvis. Aan zijn zinnen heeft hij lang geslepen en ervaringen heeft hij naar een hoger plan getild. Zo noemt hij het eiland nooit bij naam, maar spreekt hij altijd over het Eiland met hoofdletter alsof het om iets groters gaat. Hij weet op deze manier in zijn eenvoud van iets zwaars iets moois te maken. Zelf noemt Bouvier De schorpioenvis een sprookje over een eiland waar hij gek geworden is.

Op de toonbank van het kruidenierswinkeltje in zijn straat – nog steeds op Ceylon – cirkelt in een oude augurkenpot een trotse schorpioenvis rond. Het is een grote, zwart-witte vis met een parasol van lange uitstekende vinnen op zijn rug die een verlammend gif kunnen uitstoten. Bouvier had geen beter beeld kunnen kiezen voor dit exotische eiland: dat van een schitterende, opgesloten en verdovende vis.