Brieven over

Pummelig en dun betoog

Jan Kuitenbrouwer roept op tot klare taal van links (Opinie, 3 augustus). Bij dezen: zijn bijdrage is pummelig van toon, flinterdun als de boekjes die hij schrijft, ridicuul en met zichzelf in tegenspraak. Flinterdun, omdat hij politiek reduceert tot een taalkwestie. Ridicuul, vanwege de invalide vergelijkingen – waaronder de minne link tussen de verkrachter en Frans Bauer. Met zichzelf in tegenspraak, omdat hij eerst oproept tot harde taal van links en als links dat dan doet, bij monde van bijvoorbeeld Pechtold of Spong, wordt dat door hem veroordeeld.

In essentie heeft Kuitenbrouwer gelijk. Iemand als Cohen brengt zijn boodschap veel te omzichtig. Hij zou moeten zeggen: de politiek van Wilders is weerzinwekkend en opruiend en kan – kan! – linkse en rechtse extremisten aanzetten tot terreurdaden. Daarom acteert Wilders onverantwoord. Daarop dient hij uitentreuren te worden gewezen, in zijn eigen, duidelijke taal. En er is inderdaad geen weg meer terug, zoals Kuitenbrouwer stelt, al doelt hij op iets anders: de samenleving die wij hebben – of je het nu een multiculturele noemt, of een hobbelpaard met drie wielen – is een feit. Die zal niet meer worden zoals ze was in de jaren vijftig. De wereld is veranderd en zal blijven veranderen, of het Henk en Ingrid – en Jan – nu zint of niet.

F. Stark

Utrecht

Taal is niet onschuldig

Jan Kuitenbrouwer lijdt aan het welbekende biografensyndroom. Hij vertoont althans een symptoom hiervan, door het voorwerp van zijn studie niet alleen te analyseren, maar ook te verdedigen. Hij heeft kennelijk veel geleerd van Wilders’ framing. Retorisch stelt hij vragen die wel moeten leiden tot gewenste en zeer gekleurde conclusies.

Zo gaat het er niet om of je oorlogsbeeldspraak mag gebruiken – „strijd”, „gevecht”, „verliezen”. Een fatsoenlijk politicus behoort zich er echter rekenschap van te geven dat taal niet neutraal en onschuldig is. Juist omdat haat een rol speelt, zoals Kuitenbrouwer poneert, is het van belang om een onderscheid te maken tussen praktijken of ideeën die moeten worden bestreden en het stelselmatig ontvrienden van hele bevolkingsgroepen.

Het is geoorloofd om te spreken over de achterblijvende ontwikkeling van de voormalige mijnstreek. Dit is een economisch probleem. Mag je dat ook ‘het Limburger-vraagstuk’ noemen? Dit suggereert een heel ander probleem. Hiervoor zal de oplossing ook moeten worden gezocht in een heel andere hoek.

Het zou Wilders overigens sieren als hij niet zou volstaan met afstand nemen tot de middelen die Breivik toepaste, maar ook tot de doelen die hij zegt na te streven. Anders is het geen taboe meer om Wilders een geweldloos politicus met een Breivik-ideologie te noemen.

Jan Jaap Kleinrensink

Politicoloog en neerlandicus

Krakkemikkig verbod

Het artikel van Jan Kuitenbrouwer is mij deels uit het hart gegrepen. De prachtige vergelijking van politici die liever in de machinekamer ‘aan de knoppen’ zitten dan dat zij op de brug staan om de koers te bepalen, had ik graag zelf bedacht.

Toch ontspoort Kuitenbrouwer waar hij stelt dat ‘haatzaaien’ in een onbewaakt ogenblik strafbaar is gesteld in de Nederlandse wet. Dat had van hem nooit mogen gebeuren, omdat ‘haat’ geen concreet begrip is.

Die bepaling is niet in een onbewaakt ogenblik in de wet gekomen. Ze is aan de staten opgelegd op grond van de verplichting uit het VN-mensenrechtenverdrag en het VN-verdrag tegen racisme. Wel hebben de politici van toen slecht op hun woorden gelet. Die verdragen zijn slecht vertaald in de wet.

De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens beschermt tegen discriminatie en tegen elke ophitsing tot discriminatie. In het latere VN-mensenrechtenverdrag en in het VN-verdrag tegen racisme wordt dit uitgewerkt. Het aanzetten tot discriminatie en op rassenhaat gebaseerd geweld – nationalisme en godsdiensthaat begrepen – moet bij de wet worden verboden.

Discriminatie en geweld zijn begrippen die bruikbaar zijn in wetten. Ze hebben voldoende feitelijke inhoud. Haat zit van binnen en kan alleen dienen als motief voor die feitelijkheden.

Bij de vertaling in de Nederlandse wet is het misgegaan. Die stelt strafbaar: het aanzetten tot haat van of discriminatie of geweld tegen mensen wegens hun ras, godsdienst en nog een heleboel andere kenmerken waaraan iemand niets kan doen. De haat is van onderliggend motief van discriminatie en geweld verworden tot strafbare handeling zelf. Dat is inderdaad onzin, zeker als het vervolgens in de discussie wordt losgezongen van begrippen als ‘rassenhaat’ en ‘racisme’. Helaas is dit terechte verbod krakkemikkig in de wet terecht gekomen. Dat is nog geen reden om het juridische begrip ‘haatzaaien’ uit zijn context van bestrijding van racisme te trekken.

Ties Prakken

Advocaat te Amsterdam, verdedigster van enkele benadeelden in het Wildersproces

Oprechte dank

Dank u! Dat er toch nog een artikel kon verschijnen waarin de schrijver kon uitstijgen boven de benepen aanvallen en vingerwijzingen naar Wilders als schuldige in het Noorse Drama. Dit is een hele opluchting voor de lezer die niet politiek-correct verminkt is. Mijn oprechte dank, heer Kuitenbrouwer.

Zou Bas Heijne c.s. dit snappen? Ik hoop het. Het is heel moeizaam om steeds artikelen te moeten lezen waarin de Kleine Denker zich verraadt. Het is geen kwestie van een andere mening, maar van een beperkte visie. Die stijgt niet uit boven oud-linkse dogma’s. Wanneer worden wij hiervan verlost? Help ons!

J. Van Wieringen

Haarlem