Altijd een vuiltje aan de lucht

Frida Vogels: Dagboek 1970-1971. Van Oorschot. 612 blz. € 29,50

‘Gisteren een ellendige dag’, schrijft Frida Vogels op 10 januari 1970 in haar dagboek, daags na haar 40ste verjaardag. ‘Maar hij is voorbij, en ik kan nu aan de tien laatste en misschien belangrijkste jaren van mijn leven beginnen.’ Haar 39ste levensjaar stond in het teken van huwelijkscrisis en lichamelijke malaise. Denkt ze in januari 1970 een frisse nieuwe start te kunnen maken? Nee, daarvoor kent ze haar eigen beperkingen te goed. Ze omschrijft haar leven nog altijd als ‘ellendig’ en weet dat er maar één manier is om het toch aanvaardbaar te maken: door erover te schrijven. Alles wat haar overkomt moet ze te boek stellen, ‘precies zoals het is’, zodat het in de terugblik, op papier, alsnog verwerkt kan worden. Zij noemt zichzelf een ‘grafomaan’, een schrijfverslaafde, die elke dag opnieuw wil weten wie ze is. En zo zien we Vogels in het achtste deel van haar dagboekserie, Dagboek 1970-1971, andermaal opboksen tegen de verschrikkingen van het leven, of ze nu thuis is in Bologna met Enzo en poes, in Castellina bij haar schoonfamilie, of in Amsterdam bij haar eigen familie en vrienden. En hoe weinig er ogenschijnlijk ook gebeurt – op elke bladzijde kom je wel iets behartigenswaardigs tegen. Een grimmige observatie, een geestige formulering, een aangrijpend voorval. Je ziet haar zoeken naar evenwicht, een midden proberen te vinden tussen agressie en deemoed, ik en de wereld. Een enkele keer valt het mee. Als ze iets, zonder zichzelf te kort te doen, tot een goed einde heeft gebracht. Dat kan een hernieuwde ontmoeting zijn met broer Michiel, een brief aan haar schoonmoeder, de verwerking van de plotselinge dood van haar vader, of een toevoeging aan De naakte waarheid, het boek dat pas in 1992 zal verschijnen als onderdeel van De harde kern.

Het evenwicht wordt vaak verstoord door etenskwesties. Gekissebis over biscuitjes en stroopwafels. Gesteggel over appeltaart en vette soep die Vogels pertinent weigert te eten. Af en toe richt Vogels haar blik op de buitenwereld. Dan verdiept ze zich in een Egyptische negerstam, de Falasha’s, die begin jaren zeventig de enige joden op aarde meenden te zijn. Of ze ziet op tv de Apollo 13 landen op zee met drie parachutes. Ook beschrijft ze hoe er een begin wordt gemaakt met het Bijlmermeerproject; ‘Troosteloos. Middenin de kaalslag staat nog één mooie oude boerderij.’

Maar op haar best is ze als ze schrijft over zichzelf met een nooit verslappende, kritische pen, zelfs als het bij uitzondering een keer goed met haar gaat. ‘Gisteravond had ik zin in eten’, schrijft ze op 21 maart 1970. ‘Dat vertrouwde ik niet. Het komt niet te pas dat ik grapjes maak en met smaak eet en met E. gearmd door Castellina loop alsof er geen vuiltje aan de lucht is.’ Het omgekeerde is intussen ook waar. Als ze tegen het eind van 1970 vaststelt dat er alweer een vreselijk jaar achter haar ligt, dan heeft ze toch het gevoel dat het niet voor niets is geweest, omdat ze dichterbij ‘een oplossing’ is gekomen. Een levensgenieter zal Frida Vogels nooit worden, maar volhardend is ze wel en ondanks alles nog optimistisch ook. Wij houden dus goede moed voor de komende tien jaar.

    • Janet Luis