Nog altijd woedend op de bom

Keiji Nakazawa was 6 en erbij toen de atoombom op Hiroshima viel. Hij verloor zijn vader, broertjes en later zijn zusje en moeder. Zijn verhaal vertelt hij in een stripboek. „Mijn lezers moeten in opstand komen tegen nucleaire wapens.”

Tekeningen uit de stripreeks 'Gen Barrevoets in Hiroshima' van Keiji Nakazawa

‘Die man laat zijn lendendoek loshangen. Bah!” zegt de jonge Gen als hij iemand ziet lopen die van voren naakt is. Maar als de man nadert, beseft hij dat het geen doek is dat tussen zijn knieën zwiert. „Het is de huid van zijn rug.”

De man is een van de slachtoffers van de atoombom op Hiroshima, op 6 augustus 1945. De zesjarige Gen heeft de klap en de hitte van de bom overleefd, omdat hij achter een betonnen muurtje stond en net iets opraapte.

Gen is de hoofdpersoon van Gen Barrevoets in Hiroshima van Keiji Nakazawa, een tiendelige graphic novel, die nu ook in Nederland wordt uitgebracht. Vijf delen zijn er inmiddels verschenen van dit ongekend gruwelijke beeldverslag van de aanval met de atoombom en de gevolgen voor de lokale bevolking.

Het lezen van Gen is een huiveringwekkende ervaring: de strip verbeeldt ongenadig en intiem alle pijn en verwoesting – zowel tijdens de aanval als in de uren en dagen erna. Wat de boeken zo bijzonder en aangrijpend maakt is dat Nakazawa diep in het alledaagse leven reikt en met veel gevoel de sfeer en ontreddering documenteert. Het is alsof er een camera op de grond aanwezig is in deze postnucleaire hel.

„Ik ben Gen”, heeft Keiji Nakazawa (1939) eens gezegd. De strip is gebaseerd op zijn eigen ervaringen. Nakazawa was zes jaar toen de bom viel. Zijn vader was tegen de oorlog en had het verkondigen van zijn opvattingen moeten bekopen met anderhalf jaar gevangenisstraf. Bij de aanval met de atoombom raakt hij bekneld in het puin van zijn huis, net als zijn dochter en tweede zoon.

Nakazawa’s zwangere moeder werd van het balkon geslingerd, maar overleefde als door een wonder. In de strip proberen de moeder en Gen tevergeefs de drie anderen los te wrikken voor de vlammenzee van het brandende Hiroshima hen bereikt.

Tevergeefs. De vader gooit stenen naar ze om te zorgen dat ze hun eigen leven redden, het broertje huilt. „Het is heet, Gen, mijn benen staan in brand”, is het laatste wat hij roept. Gen sleurt op commando van zijn vader uiteindelijk zijn moeder, die ook wil sterven, weg van het huis.

Door de platgeslagen stad wankelen mensen met druipende huid, kermend om water. Hun kleding is afgerukt, ze zijn veranderd in monsters. Een meisje is blind van de glasscherven, een paard staat in brand.

Van de shock krijgt Gens moeder weeën en baart een dochter; daar begint deel 2, De levende doden. Maar zijn moeder maakt geen melk aan omdat ze zelf niets te eten heeft. Gen gaat op pad. Als hij tussen de ruïnes flauwvalt van hitte en ondervoeding, wordt hij op een van de brandstapels voor lijken gegooid. Het vuur wekt hem net op tijd. Een soldaat die hem helpt, sterft zelf plots aan stralingsziekte. Bloed spugend valt hij neer, zoals ook anderen die komen helpen.

Gruwelijke details zijn er te over: enkele malen tekent Nakazawa hoe huid en vlees van de botten van een slachtoffer glijdt als deze wordt opgetild. En Gen ontmoet een verminkt meisje dat danseres wilde worden, met maden in de wonden van haar verminkte gezicht. Bij gebrek aan hulp en medicijnen vergroot de ramp zich snel: maden, vliegen, pus, openknappende lijken. „Het is te erg, te erg gewoon”, stamelt Gen.

Toch is de jonge Gen vitaal en optimistisch. Nakazawa wil positief zijn, en de lezer overtuigen van „de waarde van vrede”, al komt zijn werk uit een zucht naar wraak. „Ik schreef Gen uit woede, en ik ben nog steeds woedend”, zei de tekenaar in een interview.

De meest directe aanleiding om zijn leven te verbeelden was het treurige lot van zijn moeder en babyzusje. Zijn moeder stierf vijftien jaar na de oorlog na een ziekbed van zeven jaar alsnog aan de gevolgen van de straling. Haar botten waren weggevreten, bleek na haar crematie. Het baby’tje stierf al na vier maanden, aan ondervoeding.

Nakazawa heeft het pacifisme van zijn vader omarmd. „Ik wil dat mijn lezers in opstand komen tegen oorlog en nucleaire wapens”, zei hij. Daarom bracht hij „geen suikerlaag aan over de horror”. De getallen onderschrijven zijn opinie: 140.000 doden in Hiroshima, 70.000 in Nagasaki drie dagen later en 160.000 doden in de jaren erna aan de gevolgen van straling.

De woede van Nakazawa is goed af te zien aan zijn krabbelige, maar directe tekenstijl, met als grootste kwaliteit de levendigheid van de figuren. Ze ademen en zijn van vlees en bloed. De ervaringen van Gen en zijn moeder worden niet emblematisch: het zijn mensen. Maar soms ventileert hij zijn goede bedoelingen te nadrukkelijk. Als hij boven het verhaal gaat staan en schrijft over hoop, dromen en toekomst wordt zijn tekst stroef.

Het doet niet af aan de kracht van dit epos. Sinds het in 1975 in boekvorm verscheen is het een groot succes in Japan, ondanks dat het ook controverse opriep. Niet iedereen wilde horen hoe Nakazawa de schuld van de massamoord bij beide oorlogvoerende partijen legt. De Amerikanen worden gehaat om het gooien van de bom, maar de heilig geachte Japanse keizer en het leger worden veracht om hun oorlogszucht en de „weerzinwekkende” daden die ze hebben gepleegd.

De periode na de bom is niet minder verschrikkelijk, laat Nakazawa’s verhaal zien. „De mensen veranderden in beesten”, schrijft hij in deel 3, Een nieuw bestaan. De overlevenden zijn verschoppelingen. Niemand geeft ze eten en werk is er niet meer. Wel verzorgt Gen korte tijd voor veel geld een ernstig verbrande man, omdat zijn broer en diens gezin hem niet meer willen aanraken.

In veel opzichten is Hiroshima verwant aan Maus van Art Spiegelman, die de Holocaust verstripte. Spiegelman is een bewonderaar. Deel 1 van De Bom bevat een introductie door de Amerikaan, die beschrijft hoe onvergetelijk de beelden van Nakazawa zijn, en hoe helder – alsof het zijn eigen herinneringen zijn. Hij vergelijkt ze met Goya’s Verschrikkingen van de oorlog.

De druipende huid is het terugkerende beeld als moeder en zoon in latere delen terugdenken aan de catastrofe. Maar vaker nog tekent Nakazawa een brandende zon, om verloop van tijd aan te geven en bij scènewisselingen. Spiegelman heeft er een mooie uitleg bij. De zon, schrijft hij, „staat symbool voor de gever van leven, het verstrijken van de tijd en de Japanse vlag; ze doet bovendien dienst als metronoom, die ritme geeft aan Gens verhaal; tevens vormt ze de herinnering aan een bom met de hitte van duizend zonnen.”

Keiji Nakazawa: Gen Barrevoets in Hiroshima. Deel 1 t/m 5, deel 6 verschijnt eind dit jaar. Uitgeverij Xtra.

    • Ron Rijghard