Mijn Chelsea Hotel is weg

In 1986 woonde ik in een comfortabel appartementje, in de tiende straat, de West Village, Manhattan. Op een avond werd ik gebeld door een van de huiseigenaren. Sir, zei hij, we doubled the rent. Wanneer gaat dat in? vroeg ik. Tonight! In Nederland worden huurders tegen zulke overvallen beschermd. Dat zullen we nog wel eens zien, dacht ik, en ik belde een Nederlands advocatenkantoor in New York, Loeff en Van der Ploeg. Kreeg meester Loeff aan de telefoon. Meneer Hofland, zei hij, hebt u daar assets? Niet veel bijzonders, kleren, een schrijfmachine. Dan zit er maar één ding op, zei hij. Met de noorderzon vertrekken!

Zeker, maar waarheen. Ik belde een goede vriend, Jan Vrijman, die toevallig in de stad was, in het Chelsea Hotel, waar hij een film maakte. Geweldig! riep hij. Kom hier! Dit hotel lijkt wel een kraakpand. Ik pakte mijn assets en ging met een taxi naar de 23ste straat, liep de lobby binnen en zag dat Jan gelijk had. Zwaar verzakte banken en fauteuils, een open haard waarin een borstbeeld zijn hoofd had gestoken, op de schoorsteen een borstbeeld van Harry Truman, aan alle wanden veel schilderijen en aan het plafond een schommel met de pop van een vrouw. Het geheel was een aangename, ordeloze bende.

Zo ben ik in het Chelsea Hotel terechtgekomen, er dat jaar nog lang gebleven, en daarna, als ik naar New York ging, altijd daarheen. Ik ontdekte dat er veel beroemde kunstenaars hadden gewoond, Leonard Cohen, Bob Dylan, Arthur Miller, nog veel meer. Hun namen staan op bronzen platen links en rechts van de ingang. Niet uitgesloten dat Marilyn Monroe er heeft gelogeerd. En er is een beroemde moord gepleegd. In 1978 is Nancy Spungen op de eerste verdieping doodgestoken toen ze daar met haar vriend Sid Vicious logeerde. Het verhaal wil dat ieder jaar op het ogenblik van de moord de liften een paar seconden blijven stilstaan.

Voor mij is het Chelsea jaren en jaren een van de weinige plaatsen ter wereld geweest waar een volkomen vrijheid heerste en die ging dan weer gepaard met een ouderwets fatsoen. Dat was vooral te danken aan de manager en mede-eigenaar Stanley Bard, zijn zoon David en de baas van de receptie Jerry Weinstein.

Een paar jaar geleden werd er aan de fundamenten van dit oude bastion gemorreld. Stanley en David verdwenen. Aan de balkons van de voorgevel werden spandoeken gehangen: Bring the Bards back. Het heeft niet geholpen. Het morrelen werd dringender. De lobby werd niet zomaar opgeruimd, maar kreeg een clean, een anti-sceptisch aanzien. Achter de receptie werd aan een grote verbouwing begonnen. Wat moest dat worden? Een lounge! Alsof we daar behoefte aan hadden. Maar in ieder geval mocht je op je kamer nog roken.

En nu, eind vorige week, is het morrelen voltooid, voorlopig. De permanente bewoners mogen nog blijven maar het hotel wordt voorlopig voor gasten gesloten. Het gebouw is voor 80 miljoen dollar verkocht aan de projectontwikkelaar Joseph Chetrit, meldt The New York Times. Het zal ingrijpend worden vernieuwd, en die operatie zal op z’n minst een jaar gaan duren. Daar wordt de geschiedenis vermoderniseerd. Een airconditioned nightmare heeft Henry Miller het Chelsea Hotel al lang geleden genoemd. Maar die bronzen plakken met de namen van beroemdheden zullen wel blijven hangen.

    • H.J.A. Hofland