Meteen naar de warmste plek om in te bijten

De gewone vampier voelt warmte met zijn neusbladen. Foto Pascual Soriano

Eén eiwit in de zenuwen achter de neus van de gewone vampier (Desmodus rotundus) zorgt ervoor dat het dier infrarode straling kan waarnemen. Zo vindt de bloedzuigende vampiervleermuis altijd de warmste, en dus de best doorbloede, plek op de huid om in te bijten. De biologen die het eiwit ontdekten, beschrijven het vandaag in het wetenschappelijke tijdschrift Nature.

Vampiervleermuizen leven van het bloed van vogels en zoogdieren. Met hun scherpe voortanden krassen ze wondjes van vijf millimeter breed in de huid van hun prooi waar ze het bloed uit zuigen. Hun hoektanden gebruiken ze om overtollig haar weg te knippen. Er zijn drie verschillende vampiervleermuissoorten, die alleen in Midden- of Zuid-Amerika voorkomen.

De onderzoekers ontdekten de warmtegevoelige eiwitten in de zenuwen die in de neusbladen liggen. Het eiwit is een ingekorte variant van een eiwit (TRPV1) dat normaal gesproken betrokken is bij het waarnemen van hitte en pijn. In de meeste zoogdieren wordt dit eiwit geactiveerd door hoge temperaturen (hoger dan 43 °C) en capsaïcine, het bestanddeel in Spaanse pepers dat het branderige gevoel op de tong veroorzaakt.

Het kortere TRPV1-eiwit van de vampiervleermuis wordt echter al geactiveerd bij een temperatuur van ongeveer 30 °C. De vampiervleermuis kan het complete eiwit overigens nog wel produceren. Omdat in de zenuwen van de neusbladen zowel de lange als korte eiwitvarianten aanwezig zijn, ligt hun gemiddelde temperatuurgevoeligheid iets hoger, rond de 34 °C. Dat is genoeg om warmbloedige dieren op een afstand van ongeveer 20 centimeter te detecteren.

De onderzoekers troffen de ingekorte eiwitvariant slechts in zeer kleine hoeveelheden aan in de neusbladzenuwen van de fruitetende vleermuis Carollia brevicauda, ook al is deze soort nauw verwant aan de vampiervleermuis. In paarden en honden (de naaste verwanten van vleermuizen) komt de korte variant zelfs helemaal niet voor. Vampiervleermuizen lijken vooralsnog de enige zoogdieren die infrarode straling kunnen detecteren. In het dierenrijk kunnen groefkopadders het ook, maar zij gebruiken daarvoor een ander eiwit dan de vampiervleermuis.