Inleven in de homofoob

Dit weekend wordt in Amsterdam de Gay Pride Canal Parade gehouden.

Liefde voor hetzelfde geslacht kan genetisch zijn bepaald, homohaat is sowieso cultureel bepaald.

Phyllis Siegel (77), met de armen omhoog, en Connie Kopelov (85) in de rolstoel vieren op 24 juli j.l. dat ze het eerste homohuwelijk zijn aangegaan in New York. Foto Jason DeCrow/AP Phyllis Siegel, 77, arms raised, and Connie Kopelov, 85, in wheelchair, both of New York, celebrate after becoming the first same-sex couple to get married at the Manhattan City Clerk's office, Sunday, July 24, 2011, in New York. (AP Photo/Jason DeCrow) AP

De homo-emancipatie lijkt te zijn voltooid. Straks staan er weer honderden nichten (volgens mijn bronnen inmiddels een geaccepteerde benaming voor homo’s) te swingen in de Amsterdamse grachten. Samen met de Amsterdamse burgervader zullen een half miljoen Nederlanders zich vergapen aan een kleurige parade van homo’s, lesbiennes, biseksuelen en transgenders. Onze nationale knuffelbeer Jan Kees de Jager, is tot vreugde van velen uit de kast gekomen en krijgt naar verluidt een ereboot.

Ondertussen zijn ze tweeduizend kilometer verderop, in Zuid-Italië, in de Middeleeuwen blijven steken. Cristian Friscina kreeg in mei geen nieuw rijbewijs. Reden: hij was uit de kast gekomen. De lokale autoriteiten schaarden homoseksualiteit onder de psychische aandoeningen die de rijvaardigheid ernstig aantasten. Al een aantal jaren eerder was een Siciliaanse homo zijn rijbewijs kwijtgeraakt. Toen hij opnieuw examen deed kreeg hij een gehandicaptenrijbewijs.

Hoe komen de Italianen op deze bijna komische idioterie? Is Italië de Middeleeuwen dan werkelijk nooit ontstegen? Of was er toevallig één verknipte ambtenaar verantwoordelijk voor de uitgifte van nieuwe rijbewijzen? Daarom hier in sneltreinvaart: de geschiedenis van de homohaat.

Er lijkt meer aan de hand te zijn. Pas in 1990 werd homoseksualiteit geschrapt van de lijst van geestesziekten van de Wereldgezondheidsorganisatie. Nederland was in 2001 het eerste land dat het homohuwelijk legaliseerde, maar het Franse parlement heeft het onlangs nog verworpen. Homofobie is minder middeleeuws dan we denken. Over de lesbienne is, door een gebrek aan bronnen weinig te zeggen. Dat betekent overigens niet dat ze niet bestond, maar historisch gezien is zij een recente uitvinding.

Homoseksualiteit is zo oud als de mens. Homofobie ontstond vlak erna. Ongeveer 10 procent van ons heeft ooit homoseksueel contact gehad en de helft van die groep geeft zelfs de voorkeur aan minnaars van een gelijk geslacht. Er is nog veel onduidelijk over de manier waarop homoseksualiteit ontstaat. De meeste aanwijzingen gaan in de richting van een neurologische verklaring.

Hersenonderzoeker Dick Swaab is wat mij betreft iets te enthousiast over de alomtegenwoordigheid van het brein. Toch heeft hij al in 1989 aangetoond dat de hersenen van hetero’s en homo’s verschillend zijn. Die ontdekking impliceert dat homoseksualiteit is aangeboren; een conclusie die Swaab stapels dreigbrieven opleverde. Dat die brieven niet van homohaters maar van homo-emancipators kwamen (ze dachten dat Swaab bezig was met een pil tegen homoseksualiteit) zegt misschien wel iets over de overdreven gevoeligheid van toenmalige homosympathisanten. Swaab zette een oud idee volledig op zijn kop. Homoseksualiteit werd eeuwenlang als keuze, of liever nog als zonde beschouwd. De verdraagzaamheid die voor ons zo vanzelfsprekend lijkt, is zowel een recente uitvinding als een historische uitzondering.

Als de ‘joods-christelijk cultuur’ ergens niet voor heeft gezorgd dan is het wel homotolerantie. Het christendom heeft een rijke traditie aan homovervolging. Voor de religieuze orthodoxie (joods, christelijk of islamitisch) is homoseksualiteit een gruwelijke zonde. Tijdens het concilie van Nabloes (1120) werd besloten om homoseksualiteit met de brandstapel te bestraffen. Het Vaticaan stelt tegenwoordig dat homoseksuele daden ‘onnatuurlijk’ en ‘intrinsiek ongeordend’ zijn. Het beeld van ‘gewone’ seks als een geordende en nette bezigheid zal wel zijn veroorzaakt door celibataire wereldvreemdheid. Hoe het ook zij, de Bijbel biedt genoeg aanknopingspunten voor homofobie (Leviticus 20:13 en Romeinen 1:24-32 bijvoorbeeld). Mede daarom zijn er nog steeds veel christelijke homo’s in een geestelijke spagaat leven.

Als de joods-christelijke waarden het niet waren, was het dan de Gouden Eeuw die ons de homotolerantie heeft geleerd? Bepaald niet. De meest beruchte affaire van homohaat deed zich voor omstreeks 1730. Het middenschip van de Utrechtse Domkerk was in 1674 half ingestort door een enorme tornado. Een grote hoeveelheid puin was door geldgebrek blijven liggen. Zo kon de ruïne een ontmoetingsplek worden voor homoseksuelen. In 1730 klaagde de koster bij de gemeente over de overlast die vrijende mannen veroorzaakten. Er werd een onderzoek begonnen. Toen na ondervraging (en bijbehorende marteling) van verschillende verdachten bleek dat er een landelijk netwerk van ‘sodomieten’ bestond, raakte het land in de ban van hysterische homofobie. Doempredikers riepen dat de aanval van de ‘paalworm op onze dijken’ een goddelijke straf voor homoseksuele zedeloosheid was. In Utrecht werden achttien verdachten gewurgd en in het Groningse Zuidhorn kwamen vierentwintig mannen om.

Als we uitzoomen naar een wereldhistorisch perspectief dan blijkt homofobie een typisch westers fenomeen te zijn. Culturen die zijn beïnvloed door de Abrahamitische religies, (religies die teruggaan op het bijbelverhaal van Abraham) zien sodomie als misdaad tegen God en natuur. De oude Grieken, Azteken, Maya’s, Japanners en Chinezen hadden juist een lange traditie van homoseksuele relaties. Of de liefde voor hetzelfde geslacht nu genetisch is bepaald of niet, homohaat is in ieder geval een cultureel constructie. Als we de homofoob willen begrijpen, heeft het weinig zin hem voor gek te verklaren. Het begrijpen van mensen met abjecte ideeën is echter niet eenvoudig en vaak ook controversieel.

Een al te elastisch inlevingsorgaan kan namelijk morele problemen opleveren. Als alles ‘cultureel bepaald’ en ‘historisch gegroeid’ is, dan hebben wij weinig houvast bij het veroordelen van dat wat we verwerpelijk vinden. Dit is bijvoorbeeld helemaal misgegaan bij sommige postmodernisten, bij wie de hermeneutiek (een duur woord voor wetenschappelijk verantwoord inleven) en het bijbehorende relativeringsvermogen op hol zijn geslagen. Holocaustontkenners maken dankbaar gebruik van postmodernistische inlevingstechnieken. Documenten met hard bewijs voor de transporten, gaskamers en verbrandingsovens zijn opeens slechts ‘interpretatief materiaal’. De historicus Richard Evans reageerde verontwaardigd: ‘Auschwitz was not a discourse’.

Zonder homofobie te vergoelijken wil ik toch een poging doen om me in te leven in de homohater. Er zit een intuïtieve logica achter homofobie, namelijk dat voortplanting misschien wel onze belangrijkste bezigheid is. Voortplanting – zelf zou ik niet willen zeggen ‘de belangrijkste bezigheid’, maar ‘de meest intuïtieve bezigheid’ – vindt alleen plaats binnen heteroseksuele verhoudingen. Samenlevingen waarin de mannenliefde floreert krijgen minder nakomelingen en kunnen zo ten ondergaan in de vaart der volkeren. Als een god het lichaam met een voortplantingsdoel heeft geschapen, dan is homoseksualiteit een miskenning van deze heilige plicht. ‘Gaat heen en vermenigvuldigt u’ is voor de gelovige niet alleen een natuurlijk, maar ook een religieus bevel.

Voorlopig blijven er twee formidabele barrières voor de wereldwijde acceptatie van homoseksualiteit bestaan: de ‘natuurlijke’ en de religieuze. Zelfs als we de religieuze imperatieven van ons af gooien, of in ieder geval relativeren, dan kan er nog steeds dat ongemakkelijke, maar ‘natuurlijke’ gevoel zijn bij het zien van twee zoenende kerels.

De overgrote meerderheid van de Nederlanders maakt zich niet druk over andermans seksuele geaardheid. De Gay Pride is een uit de hand gelopen feestje geworden en heeft ieder jaar weer minder van doen met oprechte emancipatie. Het bericht over de homo uit Zuid-Italië vond ik op de website raarmaarwaar.nl omdat we zijn vergeten dat homofobie, en niet homotolerantie, de eigenlijke historische standaard is. Toch kent ook onze beschaving zijn grenzen. Openlijke homoseksuele affectie wordt door 45 procent van de Nederlanders als aanstootgevend beschouwd (tegen 25 procent bij heteroseksuele affectie). Als we direct worden geconfronteerd met de homoseksuele ander krijgen we het blijkbaar toch een beetje benauwd.

Ik vind dat best begrijpelijk. Zolang we maar onthouden dat ethiek niet altijd bestaat uit het blind volgen van een onderbuikgevoel, maar vaak ook een rationele afweging is. Het zou mooi zijn als we homoseksualiteit op den duur kunnen normaliseren. Niet langer een homohuwelijk maar gewoon een huwelijk, niet meer een homostelletje, maar gewoon een stelletje. En dat laatste, ten slotte, is precies waarom ik een broertje dood heb aan vlezige parades met kleffe kerels in roze strings. Dat komt op mij eerder over als een perverse obsessie dan als een authentieke strijd tegen culturele onderdrukking. Ik denk dat homo’s meer zijn dan roze clowns en het zou goed als daar wat meer de nadruk op kwam te liggen.

Rutger Bregman (23) doceert moderne geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Bij Van Gorcum verscheen zijn boek ‘Hoe haal ik mijn tentamen?’ Hij schrijft regelmatig voor joop.nl