Een bezoek aan het Anne Frank Huis

Vandaag is het 67 jaar geleden dat Anne Frank werd opgepakt. Voor het Anne Frank Huis aan de Prinsengracht 263 in Amsterdam stond gisteren een lange rij belangstellenden, veelal Amerikanen. Medewerkers van het Anne Frank Huis kwamen met folders om het wachten te veraangenamen. Die folder was zo uit, een samenvatting van het bekende verhaal.

Vandaag is het 67 jaar geleden dat Anne Frank werd opgepakt. Voor het Anne Frank Huis aan de Prinsengracht 263 in Amsterdam stond gisteren een lange rij belangstellenden, veelal Amerikanen. Medewerkers van het Anne Frank Huis kwamen met folders om het wachten te veraangenamen.

Die folder was zo uit, een samenvatting van het bekende verhaal. Ik wurmde me langs de rij. Aan een Anne-Frank-Huis-vrouw in een zwart uniform legde ik uit waarvoor ik kwam. Ze ging bellen met de afdeling communicatie. De uitkomst: ik mocht bij haar een kaartje kopen, maar voortaan even vooraf bellen, ze hielden niet van onaangekondigd bezoek.

De mevrouw voor me, moeder van een gezin van vier, had via internet kaartjes besteld. Ze draaide zich om en zei: „Zo kunnen we allemaal wel voordringen, lekker makkelijk.”

In een lange rij schuifelden we door het voorhuis, waar alles was als vroeger. Er stonden televisietoestellen – die stonden er toen nog niet hoor – waarop Anne Frank en haar verzorgster Miep Gies voorbijkwamen. Aan de muur achter glas wat attributen, onder andere een gebedenboekje in het Hebreeuws. Op het bijbehorende kaartje een citaat uit het dagboek: ‘Moeder heeft me haar gebedenboek in handen gestopt. Voor ’t fatsoen heb ik wat gebeden in ‘t Duits gelezen.’

Een jonge vrouw in korte broek, die gearmd met haar vriend voor het boekje stond, viel over een feitelijke onjuistheid.
„Ik weet niet veel, maar dit is geen Duits, Armin.”
- „Klopt geen hout van”, vond ook Armin.

Via allemaal trappen en die bekende draaideurboekenkast kwamen we het Achterhuis binnen, kale ruimtes, de boel was niet heringericht.
Een Amerikaanse vrouw van een jaar of veertig, onderdeel van een grotere groep, sloeg een hand voor de mond.

„O my God…”, zei ze in het kamertje van Anne. „Really touching, I have to fight back some tears now.”

De andere Amerikanen hadden het ook moeilijk, maar daarna gingen de gesprekken al snel over ene Louise, een reisgenote in een rolstoel. Ze wachtte in het museumcafé achter een glas Cola, omdat Anne-Frank-Huis-medewerkers hadden gezegd dat het pand niet echt rolstoelvriendelijk was, een understatement van jewelste.

Een uur later schuifelden we langs de speciale tentoonstelling over Margot Frank, de bijna vergeten zus van. Een jeugdvriendin van Margot vertelde op een televisiescherm dat ze al jaren ‘razend boos’ was omdat alle aandacht naar Anne ging. „Margot was lief en plichtsgetrouw”, zei een oud-klasgenootje, „een dochter die je iedere moeder zou toewensen.”

- „En lelijk”, voegde een jongen van een jaar of 16 er ongevraagd aan toe. Hoewel hij een punt had, waren er bezoekers die zich aan de opmerking ergerden. Zijn moeder, of begeleidster dat kan ook, verontschuldigde zich. „Wij zijn fan van hun allemaal.”

Bij het weggaan las ik het vuistdikke gastenboek. Nogal wat mensen hadden een Davidster getekend. Anderen beperkten zich tot korte teksten. „Ik ben pas 10, maar ik weet nu wel hoe ze leven.’