Dure rekening voor Shell in Nigeria

Shell erkent schuld voor twee grote olielekken in Nigeria in 2008. De schade kan oplopen tot een kwart miljard. Shell concentreert zich voornamelijk nog op het zoeken naar olie op zee.

Na schuld komt boete. De teller begint te lopen voor Shell. En er zou een dure rekening kunnen wachten.

Nu het olie- en gasconcern in een Britse rechtszaak schuld heeft erkend voor twee grote olielekken die in 2008 voor een ecologische ravage zorgden in Ogoniland, een regio ten oosten van de Niger Delta, zijn financiële analisten ijverig aan het rekenen geslagen.

Ingewijden spreken van een juridisch precedent. „Het is de eerste keer dat in een lopende procedure voor de Britse rechter door Shell wordt toegegeven dat ze aansprakelijk is voor olievervuilingen in Nigeria”, zegt Daniel Leader van het advocatenkantoor Leigh Day, dat in april een rechtszaak aanspande voor rekening van circa 69.000 gedupeerde inwoners uit de regio. Daardoor wordt volgens hem de deur geopend voor andere juridische claims.

Het eerste olielek, dat in oktober 2008 tot stand kwam, duurde zes weken en leidde tot een verspilling van circa 2.000 olievaten per dag over een oppervlakte van 20 vierkante kilometer. De tweede olieramp gebeurde in december 2008, duurde drie maanden en leidde tot een verlies van enkele tienduizenden vaten. Rekening gehouden met het verlies aan inkomsten – elke visser verdiende jaarlijks tussen de 3.400 en 5.700 euro – en de grootschalige schoonmaakkosten, wordt de schade op minstens een kwart miljard euro geraamd.

Shell zelf nuanceert een en ander. „We hebben altijd erkend dat de twee olielekken waarvan sprake was veroorzaakt zijn door bedrijfsfouten”, zegt een woordvoerder. „Dat betekent dat we bereid zijn schadevergoeding te betalen onder de Nigeriaanse wet. We zijn ook vastbesloten om alle olieverspilling die tot stand komt op te ruimen, wat daarvan ook de oorzaak is.”

Het merendeel van de olielekken in de Niger Delta wordt volgens Shell veroorzaakt door sabotage en diefstal – vaak georganiseerde misdaad – en vooral in Bodo, de plaats waar de twee olielekken tot stand kwamen, is er veel criminele activiteit. „Alleen al dit jaar zijn dertien lekken in de Bodo-regio veroorzaakt door dergelijke illegale activiteiten”, aldus de woordvoerder.

Uit statistische gegevens die Shell op de website van zijn Nigeriaanse dochter publiceert, blijkt dat het concern de olieverspilling in de regio nog steeds niet onder controle heeft. In februari was er een verlies van 4.500 olievaten, volledig te wijten aan sabotage en diefstal, en in juni was er een verspilling van bijna 2.000 vaten, voor de helft veroorzaakt door bedrijfsfouten bij Shell.

Het Brits-Nederlandse bedrijf stelt dat driekwart van de olielekken in de Niger Delta in de periode 2006-2010 te danken is aan criminele activiteiten. Maar in 2008 – het jaar waarover de rechtszaak loopt – werd de helft van de totale olieverspilling (100.000 vaten) door het concern zelf veroorzaakt.

„We verwelkomen de plannen van Shell om voortaan alle olievervuiling op te ruimen”, zegt Leader. „Maar waarom is er in de voorbije drie jaar dan niets gebeurd?” Hij benadrukt dat er nu buiten de rechtszaal om geprobeerd zal worden om een schadevergoeding met Shell te onderhandelen. „Komen we niet tot een schikking, dan stappen we terug naar de rechter.”

Ingewijden stellen dat Shell zowel het slachtoffer als de hoofdoorzaak is van de sociale en ecologische rampspoed in de Niger Delta. Wat in het begin van de jaren negentig begon als lokaal volksprotest tegen de milieuvervuiling die de oliewinning door veroorzaakte, is ontaard in grootschalige criminaliteit waarbij ordinaire dieven, krijgsheren, militairen, etnische milities, ambtenaren en militanten ieder hun deel van de olieopbrengsten proberen binnen te halen.

Shell stopte in 1993 de oliewinning in de Deltaregio Ogoniland. Over dit gebied wordt vandaag een rapport verwacht van de Verenigde Naties die de ecologische schade in het gebied in kaart brengt. Evenals andere oliemaatschappijen verplaatst Shell zijn oliewinning naar buitengaats, waar winning duurder is maar buiten het bereik gebeurt van de opstandige Nigerianen. Alle olieconcerns willen hun activiteit op zee verder uitbreiden, maar ze wachten met investeringen tot de nieuwe wetgeving voor de branche door de in mei aangetreden regering van president Goodluck Jonathan is goedgekeurd.

Jonathan, afkomstig uit de Delta, verleende de militanten in dit gebied in 2009 amnestie en na de ontvangst van enkele honderden dollar legden de meeste van hen de wapens neer. Sindsdien is het er relatief rustig, zijn er minder aanslagen op olie-installaties en worden er nauwelijks meer buitenlanders ontvoerd. Het illegale aftappen van olie, in samenwerking met hoge legerleiders, gaat wel door.

Het meeste geweld in Nigeria vindt nu plaats in het noorden, waar de islamitische sekte Boko Haram vrijwel dagelijks aanslagen uitvoert. Dit tot ergernis van de Delta-militanten, die de opstand van Boko Haram zien als een poging „hun” president te ondermijnen. De militanten hebben gedreigd de wapens op te nemen tegen de Boko Haram-strijders als ook zij een amnestie krijgen.

De schikking waar de gedupeerden in de Britse zaak op aansturen, wordt in het najaar onderhandeld.