Barsten in de spiegel

Noorwegen heeft zijn onschuld verloren. Hoe vaak zijn we deze uitdrukking niet tegengekomen sinds het bloedbad van twee weken geleden? Maar werd hetzelfde niet van Nederland gezegd na de moorden op Fortuyn en Van Gogh? Waar bestond die zogenaamde onschuld uit? Nederland had een lang koloniaal verleden, dat pas vijftig jaar achter de rug was, maar waarvan de sporen nog overal zichtbaar waren.

Noorwegen had zo’n verleden, dat onvermijdelijk met geweld gepaard gaat, niet. Evenmin had het een Srebrenica op zijn geweten. Het had daarentegen, anders dan Zweden, ook een vijfjarige Duitse bezetting gekend. Het had de twijfelachtige eer de bekendste collaborateurs te hebben voortgebracht: Vidkun Quisling, wiens naam een symbool voor verraad werd, en de Nobelprijswinnaar Knut Hamsun, die na Hitlers dood deze nog als een „strijder voor de mensheid” prees.

Het land had dus nog wat te verwerken en deed dat niet altijd op voorbeeldige wijze. De manier waarop het de kinderen die Duitse soldaten bij Noorse vrouwen hadden verwekt, wegmoffelde of als debielen behandelde, was niet fraai. Kennelijk stoorden zij het beeld dat de Noren toen al van zichzelf hadden of waarin ze althans de buitenwereld wilden laten geloven: dat van een rein en moedig volk, waardige afstammelingen van de Vikingen (die overigens niet altijd even zachtzinnig waren geweest).

Nee, de ‘onschuld’ die op Noorwegen en Nederland geplakt werd, slaat op de heilstaat van sociale rust en welstand die beide landen schenen te hebben opgebouwd – weliswaar met behulp van de miljarden van respectievelijk de gasbel van Slochteren en de olierijkdom die onder de Noorse territoriale wateren bleek te schuilen. Enkele jaren vóór de moord op Fortuyn publiceerde The Economist een aparte studie over Nederland onder de titel Too good to be true?

Zulke voorbeeldige landen trekken verder niet veel aandacht van de pers – behalve wanneer zich schandalen in hun koninklijke families voordoen, zoals in Nederland de affaires-Hofmans en -Lockheed en de huwelijksperikelen van de prinsen en prinsessen; in Noorwegen het huwelijk van de kroonprins met een ongehuwde moeder, die hij in Oslo’s drugsscene had ontmoet. Bij zulke gelegenheden tijgt de internationale pers en masse naar die landen, waar verder ‘nooit iets gebeurt’.

Deze stille wateren hebben in elk geval gemeen dat ze verzorgingsstaten zijn waarin plotseling iets gebeurde wat het vredige en vrij saaie beeld dat de wereld van hen (en zij van zichzelf) heeft, verstoorde. Hoe deze barst in de spiegel te verklaren? Is zij een uitzondering of produceren ook verzorgingsstaten hun eigen antistoffen? Wanneer we de aanslagen in Oslo en op het eiland Utøya van die kant bekijken, tillen we ze boven de nationale context waarin ze begaan zijn.

Maar de honderden journalisten die twee weken geleden in Oslo neerstreken, kwamen niet tot zulke algemene beschouwingen. Zelfs de Noorse context was de meesten volkomen onbekend. „Waarover ik veel meer wil weten, is over Noorwegen en de Noren. Want het gaat om de context waarin we Breiviks moordpartij moeten zien. Pas dan kan het gebeurde misschien verklaarbaar worden”, schrijft Gerard Mulder in Het Parool.

Dat heeft hij gemist in de talloze rapportages uit Oslo waarop de televisiekijker werd vergast. En dan vraagt hij, doelend op de sociaal-democratische Arbeiderspartij, die het land al vele jaren regeert: „Zou die partij immuun zijn voor de arrogantie van de macht, die bijvoorbeeld de ook al tientallen jaren onafgebroken regerende PvdA in Amsterdam uitstraalt?” Analyses die het gebeurde niet alleen maar als incident behandelen, moeten nog verschijnen.

Er is overigens een verschil tussen de PvdA en haar Noorse zusterpartij. De eerste heeft misschien nog niet helemaal haar arrogantie, maar wél de macht verloren. Ze heeft die zelfs aan de liberalen moeten afstaan. In Noorwegen daarentegen doen de beelden die we van de bijeenkomsten op Utøya vóór de moordpartij te zien krijgen, denken aan de vooroorlogse bijeenkomsten van de Arbeidersjeugdcentrale op de Paasheuvel in Vierhouten. Van zulke idylles had de verburgerlijkte PvdA allang afscheid genomen.

Ieder algemeen verschijnsel vindt zijn uitwerking in een bepaalde context. Vandaar dat het zich zelden overal gelijktijdig en nooit precies op dezelfde wijze manifesteert. In Noorwegen dus niet op hetzelfde ogenblik en op dezelfde manier als in Nederland. Van de Nederlandse context weten we het een en ander (niet-Nederlanders meestal niet; die volstaan vaak met het cliché ‘calvinistisch’). Van de Noorse context weten we, zoals gezegd, niets.

De Financial Times was zo gelukkig een Noor in haar redactie te hebben, die ze aan het woord liet komen. Noorwegen, schrijft hij, had allang zijn onschuld verloren, en ook hij noemt de Duitse bezetting. Het land is niet zo homogeen en vreedzaam als de buitenwereld denkt. Hoewel zijn politieke cultuur conformistisch is en de meeste Noren niet begrijpen waarom iemand hun sociale model zou verwerpen, is er een gefrustreerde minderheid. Per slot van rekening is de Vooruitgangspartij, een milde versie van de PVV, met 23 procent ’s lands tweede partij.

Dat neemt allemaal niet weg dat de Noren actiever zijn dan anderen wanneer het gaat om conflictoplossing. In 1993 wisten zij een akkoord tussen Israël en de Palestijnen te bereiken. Dat dit tenslotte niet beklijfde, lag niet aan hen. Nederlanders achten zich niet minder vreedzaam, maar op zo’n resultaat kunnen zij niet bogen.