Weer amper van invloed op verkiezingsopkomst

Volgens onderzoekers leiden verschillende weertypen hooguit tot opkomstverschil van 2 procent.

Slecht weer op verkiezingsdag is goed voor christelijke partijen als CDA en SGP, die een grote schare trouwe kiezers hebben. En het is slecht voor de linkse partijen, want hun kiezers blijven thuis.

Tot zover de theorie. Maar de invloed van het weer op de opkomst wordt overschat, stellen drie sociologen van de Nijmeegse Radboud Universiteit. Ze hebben de weersomstandigheden tijdens de Tweede Kamerverkiezingen tussen 1971 en 2010 geanalyseerd. Hun conclusie: regen of zon, het maakt hoogstens 1 tot 2 procent uit.

De onderzoekers stelden vast dat bij 25 millimeter regen – en dat is extreem veel – de opkomst 1 procent daalt. Als het buiten 10 graden warmer is, stijgt die juist met 1 procent. Uit een overzicht van het KNMI blijkt bovendien dat slecht weer ook weleens een hogere opkomst betekent. In mei 1981 kwam bijvoorbeeld 87 procent van de kiezers opdagen terwijl het ’s middags regende en stevig onweerde. Anderhalf jaar later, in september 1982, was de opkomst 6 procentpunt lager. En toen was het droog en zonnig najaarsweer.

Maakt het weer de kiezers weinig uit, de campagneteams des te meer. Zij moeten door weer en wind de straat op om stemmen winnen. Een goede reden om de gemeenteraadsverkiezingen voortaan niet meer in de koude maand maart te houden, zo vonden de PvdA-Kamerleden Paul Kalma en Pierre Heijnen vorig jaar. Maar hun oproep leverde slechts hoongelach op. De SP zegde vijfhonderd warme SP-mutsen toe, het CDA bood sjaals en erwtensoep aan. (NRC)