Mag het debat misschien een toontje harder?

Juist de vaagtaal van linkse politici leidde tot de opkomst van populisme. Neem een voorbeeld aan de taal van Wilders, stelt Jan Kuitenbrouwer.

Illustratie Milo

Er moest weer eens gedebatteerd worden over de ‘toon van het debat’. Is Geert Wilders schuldig, medeplichtig en/of verantwoordelijk voor de gruweldaden in Noorwegen?

De eerste denkfout die daarbij gemaakt wordt, is dat als bij een serieverkrachter een dagboek op zolder wordt gevonden vol Frans Bauer-citaten, we Frans Bauer moeilijk verantwoordelijk kunnen houden voor al die misdrijven. Ja, maar Wilders zou Breivik ‘geïnspireerd’ kunnen hebben. Tja.

‘Meneer Van Dam, u heeft de Borobudur nagebouwd uit lollystokjes. Wie heeft u eigenlijk geïnspireerd?’

‘Adolf Hitler.’

Als iemand roept ‘Wij moeten iets doen! Het is vijf voor twaalf!’, is hij dan verantwoordelijk als die woorden iemand inspireren tot het opblazen van een regeringsgebouw?

In deze krant was het onder anderen Bas Heijne die de Noorse tragedie aangreep om Wilders te dwingen zich uit te spreken over „Hoe [Wilders] zijn strijd tegen de ondergang van Europa precies vorm wil geven en wat hij als uitkomst voor ogen heeft – en vooral wat er volgens hem met de moslims in Europa moet gebeuren die weigeren hun geloof op te geven.” Pardon? Hoe Wilders ‘zijn strijd vormgeeft’ kunnen we nu al zes jaar van dichtbij zien. En die ‘uitkomst’ heeft hij talloze keren geschetst: een Nederland zonder islam.

Wat wil Heijne dan? Een schriftelijke toezegging dat onverbeterlijke moslims in Wilders’ Europa ongesubsidieerd door mogen geloven? Wilders heeft al zes jaar toegang tot ’s lands vergaderzaal, en nu moet hij terug naar de ingang om nóg meer papieren laten zien? Mag ik dan ook van Emile Roemer, Jolande Sap, Job Cohen, Mark Rutte, Maxime Verhagen en Alexander Pechtold een gedetailleerde blauwdruk van hun ideale Nederland zien?

„Dat Wilders’ verhaal radicalen aantrekt, die zijn oproep tot ‘vechten’ niet opvatten als een uitnodiging tot deelname aan een moeizaam democratisch proces, kan geen verbazing wekken,” schrijft Heijne. Alsof ‘niet deelnemen aan het democratische proces’ bijna zo verdacht is als het bestellen van vier ton kunstmest.

Zoals George Lakoff en Mark Johnson in hun indrukwekkende Metaphors We Live By (1980) laten zien, wortelt het idioom van het debat in vrijwel alle talen ter wereld in de metafoor van oorlog en strijd. Bijna alle taal is beeldspraak, ontdekten zij. Het is bijvoorbeeld haast onmogelijk om over affectie te praten zonder het met temperatuur te vergelijken (een warm versus een kil persoon) en zo geldt voor ‘discussie’ en ‘verschil van mening’ dat daar, in vrijwel alle talen ter wereld, over wordt gesproken in termen van oorlog en strijd. ‘Winnen’, ‘scoren’, ‘verslaan’, ‘verliezen’, ‘nederlaag’, ‘strategie’, ‘lanceren’, ‘arena’, et cetera. ‘Campagne’ betekent van oorsprong slagveld. En ineens, na al die eeuwen, schrikken Nederlandse intellectuelen zich een hoedje als ze op de opiniepagina het woord ‘strijd’ of ‘gevecht’ tegenkomen. Oei, zou dat een bommenlegger zijn? Of is het meer een spree shooter? De Godwindiscussie: verwijzen naar de Tweede Wereldoorlog mag ook niet meer. Alsof ‘vergelijken’ synoniem is met ‘gelijk stellen aan’.

Dezelfde koudwatervrees zie je bij het begrip ‘haat’. In een onbewaakt ogenblik is in de Nederlandse wet vastgelegd dat ‘haatzaaien’ strafbaar is. Maar ‘haat’ is een veel te ruim en subjectief begrip voor in een wet. Haat is een metafoor. De een háát negers en de ander háát cacao op zijn cappuccino. Haat is een eindproduct, je maakt het zelf, het zaad kan van alles geweest zijn. „De basis van politieke vriendschappen wordt meestal gevormd door een gemeenschappelijke haat”, zei Alexis de Tocqueville. Het strafbaar stellen van ‘haatzaaien’ is het per decreet opleggen van sociale vrede en een beperking van de politieke vrijheid. Of, zoals de politicoloog Meindert Fennema het formuleerde: „haatzaaien is de kern van het politieke bedrijf”.

Dit zal velen kras in de oren klinken. Dat feit zegt meer over de regressie van de Nederlandse politieke cultuur dan over Fennema’s stelling.

Vraag een Nederlandse politicus om een definitie van ‘politiek’ en de kans is groot dat je een definitie van ‘beleid’ krijgt. Maar beleid verhoudt zich tot politiek als de machinekamer van een schip tot de brug. Op de brug van de Nederlandse politiek is het stil, vrijwel alle politici zitten in de machinekamer. Ze willen ‘aan de knoppen zitten’ zoals het dan heet. Zo’n politicus praat op een gegeven moment niet meer over de oplossing van het probleem, maar over het probleem van de oplossing. Over het ‘integratieprobleem’ bijvoorbeeld, terwijl ‘integratie’ eerder nog de oplossing was. Of ze hebben het over ‘regelgeving’, terwijl ze ‘regels’ bedoelen. Ik vraag bij de bakker toch ook niet om broodgeving? Politici die van ‘regelgeving’ spreken hebben het niet over mij, maar over zichzelf. Een probaat middel om de kiezer weg te jagen.

Mijn persoonlijke aha-moment, wat dit betreft, was tijdens de verkiezingscampagne van 2002. Bij een debat tussen Pim Fortuyn en Ad Melkert over de zorg, had Melkert het telkens over „de werkenden in de zorgsector”, Fortuyn sprak gewoon van „verpleegsters”. Politiek incorrect, maar wel raak. Kairos, heet dat in de retorica. Uit het Grieks: de weg van de pijl naar het doel. Framing is in zekere zin ook een kwestie van kairos. Weten hoe je mensen kunt raken. Dat is wat Fortuyns furore zichtbaar maakte: dat veel Nederlandse politici vervreemd zijn van hun eigen metier. Maar hun verworden vakopvatting is stilaan wel de norm geworden.

Kijken wij naar de volgende zin: „Zijn uitlatingen dragen het kenmerk anderen van zijn ideeën te overtuigen en hen op basis daarvan tot actie te bewegen.”

Waar komt dit citaat vandaan? Overtuigen, tot actie bewegen – het Handboek voor de Beginnende Politicus? Zoiets, zou je zeggen. Maar het is de zinsnede waarmee het Amsterdamse Hof beargumenteerde waarom Wilders vervolgd diende te worden wegens ‘haatzaaien’. Wilders werd door het Amsterdamse hof aangeklaagd omdat hij politiek bedreef. Ook bij het Amsterdamse gerechtshof zijn ze vergeten wat politiek ook alweer was. De andere tien politieke partijen in de Tweede Kamer zijn niet schuldig aan ‘haatzaaien’, want die proberen gelukkig nooit ‘anderen van hun ideeën te overtuigen en tot actie te bewegen.’ Brrrrraaf zo.

„Men doet het voorkomen alsof haat en liefde elkaars tegendeel zijn”, dichtte Jan Greshoff, „maar tegenover beide staat onverschilligheid.” Dat is de onverschilligheid die het Amsterdamse hof de politiek hier tussen de regels door ten voorbeeld houdt.

Zo rijst de vraag wie hier eigenlijk de boosdoener is: Wilders die politiek bedrijft, of een verwarde elite die dat ‘haatzaaien’ noemt?

Een elite, overigens, die nog niet zo lang geleden heel goed wist wat politiek was, en het spel met verve speelde. In de jaren zestig, zeventig en tachtig was in de politieke arena heel wat meer te beleven dan vandaag. Den Uyl, Van Mierlo, Wiegel, ja zelfs Lubbers en Van Agt waren meeslepende, visionaire redenaars vergeleken met hun huidige collega’s. Ook aan verbaal geweld was geen gebrek. Met name links ging geregeld verder dan wat Wilders zich nu permitteert. W.F Hermans hoefde maar één lezing in Zuid Afrika te geven om voor de rest van zijn leven uit Amsterdam te worden verbannen. (Was getekend: Ed van Thijn, die nu dan weer vrolijk meelift op de Breivik-bandwagon.)

Wouter Buikhuisen, J.A.A Van Doorn, de politiek correcte inquisitie joeg ze met pek en veren de stad uit, vanwege vermeend ‘foute’ opvattingen. Eén verkeerd woord en je was een nazi, fascist of racist. Strafpleiter Spong (die vorige week beweerde dat Wilders het „Noorse bloed op de lippen heeft”) trad op namens de actiegroep RAT, die legbatterijen in brand stak, en noemde de bio-industrie „het Auschwitz der dieren”. (Gerard Spong, voor al uw debatverruwing.) Wie de RAT-acties een aantasting van de rechtsorde noemde werd uitgelachen. „Uw rechtstaat is de onze niet!” scandeerden toekomstige PvdA- en GroenLinks-wethouders.

Maar de tijd dat links de waarheid in pacht had, is voorbij. Halverwege de jaren negentig schudde de PvdA haar laatste ‘ideologische veren’ af en vluchtte in een coalitie met de VVD. Hehe, lekker, even geen ideologie meer. Even gewoon zakendoen. Het Akkoord Van Wassenaar. Polderen. De ‘Derde Weg’ (die doodliep).

Ook in FNV-kantoren klinkt nerveus gekuch als iemand de woorden ‘actie’, ‘strijd’, ‘gevecht’, of ‘confrontatie’ uitspreekt. En na een jaar onderhandelen met Bernard Wientjes komt Agnes Jongerius naar buiten met woorden als „efficiencyslag” in haar vocabulaire. Na Bolkestein raakte ook de VVD haar kompas kwijt en begon incoherent te communiceren. Wie weet waar het CDA tegenwoordig voor staat, mag het zeggen. Het dieptepunt was de nerveuze provinciepoliticus Van Geel, die niet eens wist wat debatteren wás en het spreekgestoelte van de Tweede Kamer als onderhandelingsplatform leek op te vatten.

Zo ontstaat een taalcultuur waarin wezenlijke tegenstellingen worden gemaskeerd door een mistbank van eufemistische newspeak. De gevestigde partijen zijn in de rui en terwijl de partijkantoren binnenstebuiten worden gekeerd, op zoek naar dat beruchte ‘Nieuwe Verhaal’, steelt de concurrentie de show met keiharde, glasheldere taal, die soms nog om te lachen is ook.

Er is geen weg meer terug. De reductie van het publieke debat tot gewetenstheater, tot een wedloop in gratis deugdzaamheid en het non-grata verklaren van andersdenkenden, is nu juist de cultuur waar we het hedendaagse populisme aan te danken hebben! Gewone mensen wier wensen en klachten werden afgeserveerd als „onderbuikgevoelens”, intellectuelen die „ja maar” zeiden en uit het clubhuis gezet werden. Dat taboe op een open en vrijmoedig debat, die frustratie, dat was de drijfveer van Fortuyn, van Wilders, en wie weet ook van zijn Noorse bewonderaar Anders Breivik. In die zin zou je ook links ‘verantwoordelijk’ kunnen stellen voor Breiviks actie. Maar een terugkeer naar het pre-Pim-tijdperk zou de slechtst denkbare reactie zijn. Echte politiek, dáár is behoefte aan.

Toen Nederland de klapschaats uitvond, probeerden andere schaatslanden dat ding aanvankelijk verboden te krijgen, omdat ze ineens geen wedstrijden meer wonnen. Gelukkig had de internationale schaatsbond de enig juiste reactie: get with the program.

Wilders’ retorica is de klapschaats van de politiek. Er moet geen meel in de mond van Geert Wilders, er moet meel uit de mond van de anderen.

Jan Kuitenbrouwer is journalist en schrijver van onder meer De woorden van Wilders.

    • Jan Kuitenbrouwer