Helter Skelter in Noorwegen

Elke woensdag een filosofisch dilemma naar aanleiding van de actualiteit.

Vandaag: hoe verantwoordelijk ben je voor wat je schrijft – of zingt?

Illustratie Robin Héman

Toen hij Helter Skelter van de Beatles had gehoord, wist sekteleider Charles Manson het zeker: ze hadden hem begrepen. Er kwam een rassenoorlog aan in Amerika.

Want wat zongen de Fab Four?

Go helter skelter

helter skelter

helter skelter

Yeah, hu, hu

I will you won’t you want me to make you

I’m coming down fast but don’t let me break you

Tell me tell me tell me the answer

You may be a lover but you ain’t no dancer

Look out

Helter skelter

helter skelter

helter skelter

Yeah, hu, hu

Look out cause here she comes

Op het oog gaat dat over een ritje in een achtbaan of – wie weet – een avontuurlijke drugstrip.

Maar Manson, die in 1968 in de Californische woestijn een sekte drop outs aanvoerde, zag er de bevestiging in van een racistisch, apocalyptisch visioen: zwarten (die omhoog komen) zouden in opstand komen tegen blanken (die naar beneden gaan).

In augustus 1969 vermoordden zijn volgelingen de actrice Sharon Tate en zes anderen, allen blank, in hun woningen in Los Angeles. Codenaam van de operatie: Helter Skelter. Bij de tweede slachtpartij schreef een van de moordenaars het in bloed op de koelkast: ‘Healter Skelter’ (sic).

Het idee was: nu kan het losbarsten.

Was Anders Breivik een soort Charlie Manson, een hondsdolle psychopaat en niets meer?

Twee Amerikaanse islam-critici, Robert Spencer (van de site Jihadwatch) en Pamela Geller (van Atlas Shrugs) hebben dat betoogd. Ook zij komen voor in Breiviks 1500 pagina’s tellende geloofsbelijdenis, maar willen daar niet op worden aangesproken. ‘Dat is alsof je de Beatles de schuld geeft van de massamoord van Manson’, schrijft Geller.

Ja, dat zou belachelijk zijn. Wat konden die arme jongens uit Liverpool eraan doen dat die Californische gek hun liedje had misbruikt voor zijn gestoorde doeleinden?

Manson is nogal een studie in contrasten met de kleurloze zoon van de middenklasse Anders Breivik. Hij was een levenslange crimineel, die vóór zijn moorden al jaren in de gevangenis had doorgebracht. Breivik was een stille brave jongen, die zich achter de computer bijschoolde.

Maar beiden pleegden moorden om een bevrijdende apocalyps te ontketenen: een rassenoorlog respectievelijk een oorlog tegen de islam. Daarin schuilt trouwens een diepere etnische parallel: zie de opkomst van allochtonen in Europa en de degeneratie van autochtonen die Breivik waarneemt. Beiden putten ook inspiratie uit een subcultuur: hippe popmuziek versus belligerent anti-islamisme. Beiden waren extremistische kinderen van hun tijd.

Maar daar begint het probleem al. De gek Manson wordt – met name door critici van de jaren zestig – vaak nadrukkelijk in zijn tijd en maatschappelijke context geplaatst.

Het waren de jaren waarin een ‘tegencultuur’ van linkse studenten, hippies en neomarxisten in Amerika de revolutie verkondigde. Afkeer van de burgerlijke samenleving en moraal domineerde. ‘Vertrouw nooit iemand ouder dan dertig’, was de strijdkreet (Manson was trouwens 34 toen hij zijn moorden pleegde). Kortom, een sterk gepolariseerde tijd, met scherpe ideologische tegenstellingen – een beetje zoals nu, ja.

Mansons misdaden worden gezien als de culminatie van die tijdgeest. Op nogal verschillende manieren. Het underground tijdschrift Tuesday’s Child riep hem uit tot ‘man van het jaar’. Een volgend nummer van dit anti-burgerlijke blaadje beeldde hem af als Jezus aan het kruis, met het opschrift ‘Hippie’ boven zijn hoofd. Gekruisigd door de media.

Het muziekblad Rolling Stone noemde Manson nog net niet de ‘duivelse karikatuur van een goede en juiste visie’ (zoals de conservatief Bart Jan Spruyt vorige week Breivik omschreef), maar het scheelde niet veel. Manson had de uiterste consequenties getrokken uit de wilde tijdgeest, schreef het blad. Hij bood een ‘écht revolutionaire nieuwe moraal’ en was ‘van de klif gesprongen’ waar anderen voor waren teruggedeinsd.

Zelfs Manson was dus niet zomaar ‘een gek’, hij stónd ergens voor. Hij markeerde ‘het einde van de hippie-jaren’. Hem aanvoeren als hét voorbeeld van een loslopende zonderling, zoals Geller en Spencer doen, is dan ook een riskant verweer.

Bovendien, het verband tussen de Beatles en Charles Manson was een stuk dunner dan dat tussen het gedachtegoed van Breivik en dat van de anti-islamisten die hem inspireerden. De Noor hóefde niet, zoals Manson, naar verborgen betekenissen te zoeken: de diagnose ligt er duimendik bovenop in boeken als Eurabia (2005) van Bat Ye’or of While Europe Slept (2006) van Bruce Bawer. Europa dreigt te worden ‘gekoloniseerd’ door de islam – en dat is de schuld van linkse, politiek-correcte elites. Het is niet vijf vóór twaalf in de strijd tegen die islamisering, maar kwart óver.

Zo prijst Bawer de oorlogstoespraken van Churchill en vergelijkt die met de slappe houding van Europese politici nu. ‘Al dat gepraat over strijd - wat ongeciviliseerd!’, sneert hij. Uiteindelijk gaat het om het verschil ‘tussen de standvastige overtuiging die leidde tot een overwinning in de Tweede Wereldoorlog en de gewetenloze geest van het compromis en de capitulatie waardoor de strop rond Europa’s nek beetje bij beetje wordt aangetrokken.’ Want de huidige Europeanen zien ‘het gevaar dat hen zou vernietigen niet onder ogen.’

Bat Ye’or (een pseudoniem) stelt in het begin van haar boek twee retorische vragen: ‘Was Europa het doelwit van een politieke en culturele omverwerping? Was men getuige van de verdwijning van een werelddeel en de opkomst van Eurabië, deze nieuwe ruimte voor de dhimmitude (vrijwillige onderwerping aan de islam), die door de Europese politici, intellectuelen en media geschapen was?’ Op beide vragen antwoordt het boek met een verpletterend ‘ja’. De auteur concludeert: ‘De politici van de generatie van mei ’68 beleven een nieuwe jeugd met hun eeuwige discussies en dialogen uit studentencafés. Europa kan alleen genezen als de Augiasstal wordt schoongemaakt.’

Mark Steyn tapt in America Alone (2006) uit hetzelfde vaatje: ‘Multiculturalisme is niet door de Westerse elites bedacht om andere culturen te vieren maar om hun eigen cultuur te ontkennen – het is het ultieme zelfmoordwapen.’ En pas op, want ‘een onbevreesde islamitische voorhoede is vandaag de dag dieper in Europa doorgedrongen dan Abd-al-Rahman [die in 732 door Karel Martel werd verslagen bij Poitiers]’. Ondertussen ‘bezetten de goedpraters leerstoelen aan universiteiten en denktanks om ons te verzekeren dat er niets aan de hand is.’ Zijn Europeanen dan niet bereid te sterven voor hun idealen, vraagt hij zich wanhopig af. ‘Want soms sterf je toch.’

Enzovoorts, en zo verder.

Bawer merkt trouwens nog op: ‘Veel Nederlandse journalisten probeerden – volkomen onoprecht – [Volkert] Van der Graaf de rol van krankzinnige toe te wijzen. (Tweeënhalf jaar later probeerden ze dat weer met de moordenaar van Van Gogh). In feite was Van der Graaf een actief lid van een politieke beweging.’

En nu probeert Bawer het op zijn beurt – natuurlijk volkomen oprecht – met Breivik.

Kortom, Charlie Manson fantaseerde er misschien écht in zijn eentje op los, met Helter Skelter, maar Anders Breivik zeker niet.

En als er dan over Manson al kan worden gezegd dat hij het einde van een tijdperk belichaamde, een criminele aspirant-muzikant die zich beriep op de Beatles en vóór zijn moordpartijen rondhing met leden van de Beach Boys en Neil Young, hoe zit het dan met Breivik, die zich jarenlang begroef in studieuze dan wel mobiliserende anti-islam-literatuur?

De relatie tussen inspiratie en verantwoordelijkheid is niet symmetrisch. Je kunt iemand inspireren met een polemiek tegen hoge belastingen zonder dat je één-op-één verantwoordelijk bent voor zijn latere aanslag op een belastingkantoor. Al neemt dat niet weg dat je inspirerende polemiek wel een rol heeft gespeeld.

De relatie tussen beide begrippen is daarnaast gradueel: hoe concreter de inspiratie wordt (bijvoorbeeld door in die polemiek te wijzen naar een bepaald belastingkantoor), hoe meer de verantwoordelijkheid toeneemt. En als in de polemiek ook nog een plattegrond van het belastingkantoor wordt bijgevoegd, en een instemmende verwijzing naar aanslagen op de overheid, begint medeplichtigheid zich af te tekenen. Dan verlaten we het terrein van maatschappij en moraal, en betreden we dat van het recht.

Van zulke medeplichtigheid is in zaak-Breivik geen sprake: voor zover bekend handelde hij consequent alleen. Maar verantwoordelijkheid is een andere categorie. De Amerikaanse counterculture krabde zich na de Manson-moorden terecht achter de oren waar die psychopaat met zijn sekte vandaan was gekomen, en of de anti-burgerlijke beweging niet te ver was doorgeslagen. Niet elke hippie die een Manson-baardje droeg of Woodstock had bezocht, hoefde door het stof, maar enige soul searching was niet meer dan redelijk.

Dat gold ook voor moslims na de moord op Theo van Gogh. Niet iedere moslim hoefde door het stof, maar radicalen die zich laafden aan jihadistische heilsfantasieën deden er wel goed aan zich even te bezinnen. En mocht er een imam een fatwa blijken te hebben uitgesproken over Van Gogh, dan zou die écht een probleem hebben: zoiets is geen zaak meer voor bezinning, maar voor Justitie.

Zo is het nu ook met Breivik. De kam die iedereen scheert, kan beter in de binnenzak blijven. Zoals altijd. Maar dat geldt ook voor de omgekeerde reflex: Breivik afdoen als een nomade zonder vensters die solitair door het universum suist.

Ook hij zag een Helter Skelter aankomen.

En Bat Ye’or, Bruce Bawer en Mark Steyn zijn geen Beatles.

    • Sjoerd de Jong