Camping 2.0

Terwijl ik deze column schrijf, word ik omringd door campingtaferelen. Kinderanimatie die je alleen de vervelendste kinderen zou aan doen en ouders die met pijn en moeite een barbecue proberen aan te maken, waarbij de halve camping wordt getrakteerd op de weeïge geur van houtskool en aanmaakpasta.

Buiten deze oertaferelen ziet de oplettende bezoeker ook dingen die deze camping tot een ware 2.0 camping maken. Zo zag ik laatst mijn ex-overbuurman voor zijn oertent op zijn oerstoel met een fonkelnieuwe iPad. Ik geef het toe: ook ik kan niet twee weken verstoten blijven van internet. Dus pak ik iedere twee dagen – deze frequentie is bepaald na langdurige financiële berekeningen – mijn vaders laptop om richting het ‘internetpoint’ te gaan. Daar koop ik à 2 euro een kaartje waarmee ik dertig minuten op internet kan.

Je zou denken dat we hier over een primaire levensbehoefte spreken, maar dat valt mee. Ik merk dat ik het niet erg vind om twee weken niet dagelijks op Hyves, Facebook en Twitter te kijken. Het is niet erg om even niet mee te krijgen wie zijn of haar relatie verbroken heeft, wie er een nieuwe profielfoto heeft of wie een knetterende twitterruzie begonnen is. Wie dat voor zichzelf vaststelt, kan écht vakantie gaan vieren.

Daarom lees ik iedere ochtend een papieren krant (ze hebben hier De Telegraaf) en kijk ik naar de weersverwachting op een door de receptie geprint blaadje dat iedere ochtend opgehangen wordt. Heerlijk, zo ouderwets op vakantie. Al zie ik hier niet elke avond op Twitter wat iedereen eet. Maar dat laat zich raden. Pizza!

Funs Elbersen