The Bang-Bang Club

De film werd in 2009 opgenomen rond Johannesburg en ging vorig jaar al in première op het festival van Toronto. Maar pas sinds eind juli is de Bang-Bang Club ook in Zuid-Afrikaanse bioscopen te zien. En dat was voor veel mensen geen onverdeeld genoegen.

De film van regisseur Steven Silver – zijn eerste speelfilm na vooral documentaires en televisieseries – handelt over vier jonge, blanke fotografen die begin jaren negentig het geweld in de zwarte townships in beeld brachten.

De vier, Kevin Carter, Greg Marinovich, Ken Oosterbroek en Joao Silva, sleepten met hun schokkende beelden de ene prijs na de andere in de wacht. Een tijdschrift in Zuid-Afrika gaf ze de naam Bang-Bang Club.

Van de vier zijn alleen Greg Marinovich en Joao Silva nog in leven. Oosterbroek sneuvelde een week voor de eerste vrije verkiezingen in 1994 in de township Thokoza door geweervuur van vredessoldaten die probeerden aanhangers van het ANC van Mandela en Inkatha van Zulu-leider Buthelezi uit elkaar te houden. Carter vergaste zichzelf in zijn auto, een paar maanden ná die verkiezingen. Marinovich en Silva schreven het boek The Bang-Bang Club, waar nu de speelfilm van Silver op gebaseerd is.

(Silva, overigens, raakte vorig jaar op een mijn in Afghanistan zwaar gewond, maar juist vorige week meldde de New York Times, waarvoor hij op pad was, dat hij de camera weer ter hand heeft genomen voor een reportage in het Walter Reed Army Medical Center in Washington, waar hij zelf ook revalideert. Zie hier.)

Zuid-Afrika is een ingewikkeld land. En zoals wel vaker met films over Zuid-Afrika lukt het ook Silver niet om duidelijk te maken tegen welke context de vier fotografen hun werk deden.

Het geweld van tussen zwarten onderling, na de vrijlating van Mandela in 1990 aangewakkerd door onwillige kopstukken van het apartheidsbewind, leidde tot een bijna-burgeroorlog die haast de verkiezingen en een toekomst gericht op verzoening onmogelijk maakten. Maar dat meldt Silver alleen in een snel zinnetje aan het begin van de film.

Blijft over een vertoning waarin vier van adrenaline overlopende jongemannen haast roekeloos en zonder al te veel begrip voor de omgeving waarin ze werken barbaars geweld onder zwarten vastleggen.

Na een dag van bloedvergieten roken, drinken en snuiven ze erop los in het nachtleven van Johannesburg. (Een mooi contrast, overigens, met de kort opgevoerde meervoudig World Press Photo winnaar en zelfverklaard asceet James Nachtwey, die ze op een avond een rondje appelsap aanbiedt.) Pas als het geweld ze persoonlijk treft – de dood van Oosterbroek en de zware verwondingen van Marinovich bij hetzelfde incident - lijken ze te beseffen waarmee ze bezig zijn.

Volgens Silver had meer context de film onbegrijpelijk gemaakt. Maar journalist Philippa Garson, die begin jaren negentig voor het gerespecteerde Zuid-Afrikaanse weekblad Mail&Guardian werkte, legt hier uit waarom ze het daar niet mee eens is. In het kort: je kunt van een internationaal filmpubliek niet verwachten dat ze iets weten van het bloedige achterhoedegevecht dat zelfs veel Zuid-Afrikanen begin jaren negentig ontging.

Hieronder de trailer van de film.

 

    • Peter Vermaas