Riskante bank betaalt meer aan rampenpot

Banken die veel risico nemen, moeten meer bijdragen aan het nieuwe fonds voor het depositogarantiestelsel. Ook gaan banken per kwartaal bijdragen en dus niet achteraf pas bij faillissementen van banken zoals nu het geval is.

De nieuwe aanpak van de financiering van het depositogarantiestelsel, dat maximaal 100.000 euro per depositohouder uitkeert als een bank op de fles gaat, is gisteren door het het ministerie van Financiën bekendgemaakt. Het voorstel is naar de financiële sector gestuurd ter consultatie.

Volgens Financiën heeft de financiële crisis aangetoond dat het huidige stelsel niet goed functioneert. Risicomijdende banken moeten nu evenveel betalen als banken die (te) veel spaarrente verstrekken. Dat verandert nu. De minst risicovolle banken betalen de laagste premie. In het uiterste geval kunnen risicovolle banken een dubbele premie opgelegd krijgen.

Daar komt bij dat ook de banken die in de toekomst omvallen zelf hebben bijgedragen aan het fonds. Tot nog toe sprongen andere banken bij, als spaarders hun tegoeden niet meer konden opvragen, zoals bij de DSB Bank van Dirk Scheringa in 2009 gebeurde. Vanaf nu dragen alle banken elk kwartaal bij aan het depositogarantiefonds: pas als er bij een faillissement niet genoeg in kas is, wordt het tekort over de andere banken omgeslagen.

Een woordvoerder van de Nederlandse Vereniging van Banken kon vanochtend nog geen inhoudelijke reactie geven. „We hebben het voorstel gisteren ter consultatie gekregen en hebben nu zes weken de tijd voor een reactie.” Dat het fonds in de toekomst elk kwartaal door de banken gevoed wordt, was al langer de wens van de financiële sector. Onduidelijk is nog hoe de banken tegenover de beloning aan de minst risicovolle bank staan. In het verleden toonde met name de Rabobank zich kritisch over het bestaande stelsel, omdat de bijdragen los stonden van het risico dat banken namen. De Rabobank pleitte vorig jaar al voor extra premiebetalingen voor banken die hoge rentes bieden.

Het fonds moet uiteindelijk zo’n 4 miljard euro gaan omvatten en dat bedrag staat gelijk aan 1 procent van de gegarandeerde spaartegoeden. Vanaf 1 juli 2012 bouwen de banken het fonds in tien jaar tijd op. Elk kwartaal bedraagt de bijdrage van een bank 0,025 procent van het totaal aan gegarandeerde spaartegoeden.

Banken die Nederland verlaten worden niet gecompenseerd door het fonds dat beheerd zal worden door de Nederlandsche Bank.