Onderwijs is niet zoiets als werkloosheid of terrorisme

Hard, romantisch, exotisch. Elke wereldstad heeft zijn eigen imago. NRC Handelsblad gaat deze zomer op zoek naar de werkelijkheid achter het cliché van de wereldstad. Elke week een andere, op deze pagina’s en op zaterdag in de bijlage Lux. Deze week: New York

Leerlingen van een school in Queens, het grootste stadsdeel van New York tijdens de lunch. De problemen in het onderwijs zijn moeilijk aan te pakken, constateert de New Yorkse oud-wethouder van onderwijs Joel Klein: "In tegenstelling tot terrorisme heeft een crisis in het onderwijs nauwelijks impact op de elite." Foto's Hollandse Hoogte Students are served lunch at Intermediate School 61 in the Queens borough of New York, Feb. 3, 2011. Of the city’s 1,600 schools, 1,043 owe a collective $2.5 million to the Education Department for meals served in the first three months of this school year, which has led the school’s principal, Joseph Lisa, on a quest to try to collect money from parents that don't pay what they are supposed to. (Michael Kirby Smith/The New York Times) MICHAEL KIRBY SMITH;Hollandse Hoogte

De 28-jarige wiskundeleraar Jonathan Ho hield het drie jaar vol in het openbaar onderwijs in New York. Daarmee voldeed hij exact aan de minimumeis die de lerarenopleiding NYC Teaching Fellows had gesteld. Die stoomt jonge academici in één zomer klaar om voor de klas te staan. In de daaropvolgende drie jaren werken ze aan hun specialisatie – voor Ho was dat wiskunde voor de middelbare school – en geven ze les op een openbare school. Daarna zijn ze vrij om te werken waar ze willen.

Toen Ho in 2005 begon, was het niet zijn bedoeling het openbaar onderwijs zo snel mogelijk weer te verlaten. „Ik wilde goeddoen, weet je.” Zijn werkomgeving bleek echter te frustrerend. „Ik had het gevoel dat ik niet meer deed dan kinderen voor te bereiden op de jaarlijkse toetsen. En de klassen waren te groot om individuele aandacht aan de leerlingen te besteden. Dus werden de beste leerlingen niet genoeg uitgedaagd, terwijl de slechtste leerlingen het niet konden bijbenen.”

Dat zorgde voor spanningen onder de leerlingen en een broeierige sfeer, herinnert Ho zich. „Bij mij is het nooit verder gekomen dan een leerling die me bedreigde, maar ik heb genoeg andere leraren gezien die gewond raakten – als ze een gevecht wilden beëindigen, of doordat een leerling ze aanviel.”

Het meest frustrerend vond Ho het gevoel dat verandering domweg niet tot de mogelijkheden behoorde. „De schoolleiding stond niet open voor inspraak – niet van leraren, niet van ouders, niet van leerlingen. Of ik kreeg te horen: daar is geen geld voor.” Nu werkt Ho bij de Brooklyn Free School, een kleine privéschool, met zestig leerlingen. „De lessen zijn vrijwillig, er is geen huiswerk en we doen niet aan cijfers. De leraar is er om de leerlingen te ondersteunen bij hun activiteiten.”

Privéonderwijs is echter voor de meeste New Yorkers niet betaalbaar, weet ook Ho. „Natuurlijk moeten we de openbare scholen in de stad repareren. Dat is waar de meeste kinderen hun opleiding zullen krijgen. Momenteel leren veel te veel kinderen er te weinig.” Op de verplichte toetsen van de staat New York haalde vorig jaar slechts 43 procent van de ‘openbare’ leerlingen in de stad een voldoende voor Engels; voor wiskunde was dit 54 procent.

Ho heeft wel enkele ideeën over hervorming. „Het systeem moet meer uitgaan van samenwerking: tussen leraren, leerlingen, schoolleiding en ouders. Onderwijzen hoeft geen individueel beroep te zijn. En we moeten van het idee af dat toetsen zaligmakend zijn.”

Maar krijg zulke ideeën maar eens doorgevoerd. „Ik ben bang dat het systeem te groot en inefficiënt is om te veranderen”, zegt Ho. Met meer dan 1,1 miljoen leerlingen en een jaarbudget van 21 miljard dollar is het openbareschoolsysteem van New York het grootste ter wereld. En er zijn de „externe, sociale factoren”, vervolgt Ho: „Je kunt alleen succesvol hervormen als de kinderen zowel op school als thuis steun krijgen.”

Tegen dit fatalisme heeft Joel Klein, tot eind vorig jaar onderwijswethouder van New York City, acht jaar lang gestreden. „Te veel mensen nemen aan dat armoede niet te bestrijden is en dat we daarom het onderwijsprobleem toch niet kunnen oplossen”, schreef hij onlangs in het gerespecteerde maandblad The Atlantic. „Dus waarom zouden we het proberen?”

Slechte onderwijsresultaten zijn al jaren een probleem. En omdat het al zolang op de achtergrond zeurt, wordt het nooit als urgent gezien. „Zou u als kandidaat voor een politieke functie bezorgder zijn over de werkloosheid of over het onderwijs?” schreef Klein. „En in tegenstelling tot bijvoorbeeld terrorisme heeft een crisis in het onderwijs nauwelijks impact op de elite: hun kinderen, die naar privéscholen of succesvolle openbare scholen gaan, krijgen toch wel een goede opleiding.” En investeren helpt ook al niet. „Ondanks extra uitgaven zien we nauwelijks verbeteringen.”

Toch zijn er lichtpuntjes. Het percentage scholieren dat in de voorgeschreven vier jaar hun diploma haalt, is bijvoorbeeld gestegen tot 65 – bijna 19 procentpunt hoger dan in 2002, toen Michael Bloomberg als burgemeester aantrad. Volgens Klein is dit onder meer het gevolg van de keuze om slecht functionerende scholen te sluiten, ten gunste van zogeheten charter schools – scholen die publiek geld ontvangen maar zich niet aan alle regels van het reguliere schoolsysteem hoeven te houden. In ruil voor die vrijheid verplichten deze scholen zich bepaalde resultaten te boeken, die zijn opgenomen in het charter.

New York heeft nu zo’n honderd charterscholen. „Het zegt genoeg dat bijna 40.000 families voor deze scholen hebben gekozen en dat er nog eens 40.000 op wachtlijsten staan”, schrijft Klein. Als voorbeeld noemt hij de Harlem Success Academy 1. De leerlingen hebben dezelfde sociale achtergrond als die op naburige, gewone openbare scholen. Op Harlem Success is respectievelijk 88 en 95 procent van de leerlingen op het vereiste niveau voor lezen en wiskunde. Op de omringende scholen zijn deze cijfers 31 en 39.

Toch is er verzet tegen nieuwe charterscholen, met name van vakbonden, zelfs via rechtszaken. Klein: „Het systeem wil niet veranderen omdat het de belangen van de volwassenen binnen het systeem goed dient.” In het bijzonder hekelt Klein de machtige lerarenvakbond. „Het is haast onmogelijk leraren te ontslaan. Een leraar in New York City kan op z’n 55ste met pensioen en krijgt de rest van zijn leven 60.000 dollar per jaar. Dat willen ze niet zomaar opgeven. Charterscholen werken niet met de vakbonden.”

Openbaar onderwijs in New York is in essentie een door de overheid gerund monopolie, stelt Klein. „Of een school het nu goed of slecht doet, het krijgt toch wel de leerlingen die het nodig heeft om te kunnen blijven bestaan. De meeste families hebben immers geen geld voor een privéschool van 40.000 dollar per jaar, ze moeten wel kiezen voor de buurtschool. Dat moet veranderen.”

In de wijk Clinton Hill in Brooklyn besloot een groep ouders de hervormingen niet langer af te wachten en zelf een school te openen: The Co-Op School, een coöperatieve kleuterschool, gerund door de ouders zelf. Door veel in eigen hand te houden, blijft het schoolgeld naar New Yorkse begrippen binnen de perken: 13.000 dollar per jaar. De school bestaat pas zes jaar, maar is zo’n succes dat ze begin volgend jaar ook een basisschool opent.

„De ouders die hun kinderen hierheen sturen zouden liever hun kinderen op de openbare school zetten”, zegt schoolhoofd Meredith Gray. „Dat is aanzienlijk goedkoper en past beter bij hun normen. Maar die keuze wordt ze hier onmogelijk gemaakt.” Ze bedoelt: ook al willen de ouders hun kind naar een openbare school sturen, ze kunnen het niet, omdat ze die domweg niet goed vinden – hoe frustrerend dat ook is.

Als voorbeeld haalt Gray een recent akkefietje op de lokale openbare school PS 11 aan: „De kinderen daar gaan niet naar buiten als het kouder is dan 5 graden. Toen ouders daar iets aan wilden doen, zei het schoolhoofd: zwarte kinderen gaan niet graag naar buiten als het koud is. Zo werd een redelijk verzoek om verandering opeens een raciale kwestie. Als ouders daar steeds tegenaan lopen, vertrekken ze uiteindelijk.”

Toch is Gray geen voorstander van veel vrijheid bij het kiezen van een school. „Als er geen keuze is, worden leraren, kinderen en ouders wel gedwongen het beste te maken van hun buurtschool. En dan zou de transformatie van de wijk Clinton Hill ook een geweldige invloed hebben gehad op de openbare scholen hier.” Maar Gray is zelf onderdeel van het probleem, erkent ze, „simpelweg doordat onze school bestaat. Want wij gaan onszelf natuurlijk niet opeens opheffen.”

    • Mars van Grunsven