Mag het debat een toontjeharder?

Niet Wilders’ harde toon, maar de keurige vaagtaal van zijn tegenstanders is de bron van populisme.

Waarom zijn politici zo bang geworden voor politiek?

Het discussieprogramma Hollandse Zaken belde. Of ik mee wilde doen aan een uitzending over ‘de toon van het debat’. En wat ik dan ongeveer zou gaan zeggen. Dat willen ze bij ‘debatprogramma’s’ altijd van tevoren weten, want een debat moet het natuurlijk niet gaan worden.

De aanleiding was de dubbele aanslag van Anders Breivik, die een bewonderaar van Geert Wilders bleek te zijn. Hier deed zich een buitenkans voor om Geert Wilders en de PVV een slag toe te brengen, een kans waar door menigeen kennelijk met smart op werd gewacht, gezien de gretigheid waarmee hij werd benut.

De eerste denkfout die daarbij gemaakt werd is natuurlijk dat als bij een serieverkrachter op zolder een dagboek wordt gevonden vol Frans Bauer-citaten, we Frans Bauer moeilijk verantwoordelijk kunnen houden voor al die misdrijven. Is Marx verantwoordelijk voor Che Guevara? Ja, maar Wilders zou Breivik ‘geïnspireerd’ kunnen hebben. Tja. Als iemand roept ‘Wij moeten iets doen! Het is vijf voor twaalf!’, is hij dan verantwoordelijk als die woorden iemand inspireren tot het opblazen van een regeringsgebouw? Roept Wilders op tot terreur?

Enfin, het deed er niet precies toe, blijkbaar was er een sterke behoefte het weer eens over de ‘toon van het debat’ te hebben. Er waren tenslotte tal van commentatoren en columnisten, in deze krant bijvoorbeeld Bas Heijne, die de Noorse tragedie als excuus aangrijpen om Wilders te dwingen zich uit te spreken over, ja, waarover eigenlijk? Heijne koos voor deze onnavolgbare formulering: „Hoe [Wilders] zijn strijd tegen de ondergang van Europa precies vorm wil geven, en wat hij als uitkomst voor ogen heeft – en vooral wat er volgens hem met de moslims in Europa moet gebeuren die weigeren hun geloof op te geven.”

Pardon? Hoe Wilders zijn strijd ‘vorm wil geven’? Hoe Wilders zijn strijd vorm geeft kunnen we sinds zes jaar van dichtbij bestuderen! En die ‘uitkomst’ heeft hij ook al talloze keren onder woorden gebracht: een Nederland zonder islam! Wat wil Heijne? Een schriftelijke toezegging dat persistente moslims in Wilders’ Europa ongesubsidieerd door mogen geloven? Van alle Nederlandse politici is Wilders verreweg de meest uitgesproken. En nu moet hij nóg meer papieren laten zien? Mag ik dan van Emile Roemer, Jolande Sap, Job Cohen, Mark Rutte, Maxime Verhagen en Alexander Pechtold ook een gedetailleerde blauwdruk van hún gedroomde heilstaat zien? „Dat Wilders’ verhaal radicalen aantrekt, die zijn oproep tot ‘vechten’ niet opvatten als een uitnodiging tot deelname aan een moeizaam democratisch proces, kan geen verbazing wekken”, schrijft Heijne – alsof niet deelnemen aan het democratische proces al bijna zo verdacht is als het bestellen van vier ton kunstmest.

Zoals George Lakoff en Mark Johnson in hun indrukwekkende Metaphors We Live By (1980) laten zien wortelt het idioom van het meningsverschil in vrijwel alle talen ter wereld in de metafoor van oorlog en strijd. We kunnen nauwelijks spreken over discussie en verschil van mening zónder aan oorlog en strijd ontleende beeldspraak. ‘Winnen’, ‘verliezen’, ‘verslaan’, ‘nederlaag’, ‘strategie’, et cetera. ‘Campagne’ betekent van oorsprong slagveld. En ineens, na al die eeuwen, schrikken Nederlandse intellectuelen zich een hoedje als ze op de opiniepagina het woord ‘strijd’ of ‘gevecht’ tegenkomen. Oei, zou dat een bommenlegger zijn? Of is het meer een spree shooter?

Dezelfde verwarring zie je rond het begrip ‘haat’. In een onbewaakt ogenblik is ooit in de Nederlandse wet vastgelegd dat ‘haatzaaien’ strafbaar is. Maar ‘haat’ is een veel te ruim en subjectief begrip voor in een wet. Haat is een metafoor. De een háát negers en de ander háát cacao op zijn cappuccino. Zelfs de basis van politieke vriendschappen wordt meestal gevormd door een gemeenschappelijke haat, zei Alexis de Toqueville. De een haat kapitalisten, de ander haat juist socialisten. Het strafbaar stellen van ‘haatzaaien’ komt neer op het inperken van politieke vrijheid en het per decreet opleggen van sociale vrede. Of zoals de politicoloog Meindert Fennema het ooit formuleerde: haatzaaien is de kern van het politieke bedrijf.

Maar vraag een Nederlandse politicus naar een definitie van ‘politiek’ en de kans is aanzienlijk dat je een definitie van ‘beleid’ krijgt. Neem het begrip ‘regelgeving’, door alle Nederlandse politici gebruikt als ze eigenlijk ‘regels’ bedoelen. Vanwaar toch -geving? Als burger heb ik te maken met regels, die -geving interesseert mij niet! Maar politici wel, want die ‘geving’, dát is hun werk. Politici die van ‘regelgeving’ spreken hebben het niet over mij, maar over zichzelf.

Mijn persoonlijke aha-moment, wat dit betreft, was tijdens de verkiezingscampagne van 2002, bij een debat tussen Pim Fortuyn en Ad Melkert, over de zorg. Melkert had het telkens over ‘de werkenden in de zorgsector’, Fortuyn sprak gewoon van ‘verpleegsters’. Politiek incorrect, maar wel zo raak. Kairos, heet dat in de retorica. Uit het Grieks: de weg van de pijl naar het doel. Dat is wat Fortuyn ’s furore zichtbaar maakte: dat veel Nederlandse politici vervreemd zijn van hun eigen metier. Maar hun verworden vakopvatting is stilaan wel de norm geworden.

Kijken wij, ter illustratie, eens naar de volgende zin: ‘Zijn uitlatingen dragen het kenmerk anderen van zijn ideeën te overtuigen en hen op basis daarvan tot actie te bewegen.’

Wat wordt hier beschreven? Waar komt dit citaat vandaan? Overtuigen, tot actie bewegen – het Handboek voor de Beginnende Politicus? Zoiets, zou je zeggen. Maar het ís de zinsnede waarmee het Amsterdamse Hof beargumenteerde waarom Wilders vervolgd diende te worden wegens ‘haatzaaien’! (Letterlijk: ‘De opbouw in Wilders’ uitlatingen en het repeterende patroon dragen het kenmerk anderen, politici of burgers, van zijn ideeën te overtuigen en hen op basis daarvan tot actie te bewegen.’) Wilders werd door het Amsterdamse Hof aangeklaagd omdat hij politiek bedreef. Zijn werk deed. Ook het Amsterdamse Gerechtshof heeft geen idee wat politiek ook alweer was! Alle andere politieke partijen maken zich niet schuldig aan dat haatzaaien, want gelukkig proberen die nooit ‘anderen van hun ideeën te overtuigen en tot actie te bewegen.’ Braaf zo! „Men doet het voorkomen alsof haat en liefde elkaars tegendeel zijn”, dichtte Jan Greshoff, „maar tegenover beide staat onverschilligheid.” Precies, de onverschilligheid die het Amsterdamse Hof de politiek hier tussen de regels door aanbeveelt. Zo rijst dus de vraag wie hier eigenlijk de boosdoener is: Wilders die politiek bedrijft, of een verwarde elite die dat ‘haatzaaien’ noemt?

Nog niet zo heel lang geleden wist die elite nog heel goed wat politiek was, en speelde het spel met verve. Uit naam van het linkse levensgevoel was in de jaren zestig, zeventig en tachtig heel wat meer geoorloofd dan wat Wilders zich anno nu permitteert. Eén verkeerd woord en je was een nazi, een fascist of een racist. De ideologische onverdraagzaamheid van links was in die jaren van een zeldzaam niveau. W.F Hermans hoefde maar één lezing in Zuid Afrika te geven om voor de rest van zijn leven uit Amsterdam te worden verbannen. Was getekend: Ed van Thijn, die nu dan ook weer vrolijk meelift op de Breivik-bandwagon. Wouter Buikhuisen, J.A.A Van Doorn, de politiek correcte inquisitie joeg ze met pek en veren de stad uit, vanwege vermeend ‘foute’ opvattingen.

Ook ten aanzien van geweld was progressief Nederland toen heel wat minder principieel dan nu. Strafpleiter Spong trad op namens een actiegroep die kippenfarms in brand stak, maar dat moest kunnen want de bio-industrie was ‘het Auschwitz der dieren’. Welja! Het in brand steken van warenhuizen, het vernielen van tankstations, het gewapenderhand innemen van leegstaande panden, het werd vergoelijkt, de overlast die nu eenmaal onvermijdelijk is bij een grondige verbouwing van de maatschappij. Wie sprak van een ‘aantasting van de rechtsorde’ werd uitgelachen. ‘Uw rechtstaat is de onze niet!’ scandeerden toekomstige PvdA- en Groen Links-wethouders.

Maar ja, de tijd dat links overal een antwoord op had en in al zijn bevlogenheid nog wel eens een beetje doorschoot, die tijd is voorbij. Halverwege de jaren negentig schudde de PvdA zijn laatste ‘ideologische veren’ af en vluchtte in een coalitie met de VDD. Hè, lekker, even geen politiek meer. Even gewoon zakendoen, met verstandige heren onder elkaar. Het Akkoord Van Wassenaar. Polderen. De ‘Derde Weg’ (die doodliep).

De vakbeweging heeft last van diezelfde identiteitscrisis. Ook daar klinkt nerveus gekuch als iemand de woorden ‘actie’, ‘strijd’, ‘gevecht’, of ‘confrontatie’ uitspreekt en komt Agnes Jongerius na een jaar onderhandelen met Bernard Wientjes naar buiten met woorden als ‘efficiencyslag’ in haar vocabulaire.

Zo ontstaat een taalcultuur waarin wezenlijke tegenstellingen worden gemaskeerd door een mistbank van eufemistische newspeak. De sociaal- en de christen-democratie zijn in de rui en terwijl de partijkantoren worden afgezocht naar dat ‘Nieuwe Verhaal’, steelt de concurrentie de show met een keihard, glashelder verhaal, dat soms nog om te lachen is ook.

Enfin, dat is zo’n beetje wat ik tegen die redacteur van Hollandse Zaken zei, op de vraag hoe ik tegen die toon-van-het-debat-discussie aankeek. „Tja…”, zei hij, „ik eh, ik bel u zo terug.” Het duurde vrij lang. En? Uitnodiging ingetrokken!

Tijdens de uitzending, zaterdagavond, bleek dat men vooral op zoek was naar gasten die ‘moeite hebben’ met ‘de toon van het debat’. Plus een boze witte blogger die een standje kreeg. Gaap!

Die reductie van het publieke debat tot politiek correct gewetenstheater, tot een wedloop in gratis deugdzaamheid en het non-grata verklaren van andersdenkenden, dat is nu precies de cultuur waar we het hedendaagse populisme aan te danken hebben! Intellectuelen die het clubhuis uit werden gezet omdat ze de gezelligheid hadden verstoord door af en toe ‘ja maar…’ te zeggen. Gewone mensen wier wensen en klachten werden afgeserveerd als ‘onderbuikgevoelens’. Dat taboe op een open en vrijmoedig debat, die frustratie, dat was de drijfveer van Fortuyn, van Wilders, en wie weet ook van zijn Noorse bewonderaar Anders Breivik. In dat geval kun je net zo goed links ‘verantwoordelijk’ stellen voor Breivik’s actie.

Maar een terugkeer naar het pre-Pim-tijdperk zou de slechtst denkbare reactie zijn. Echte politiek, dáár is behoefte aan. Toen Nederland de klapschaats had uitgevonden, probeerden andere schaatslanden dat ding aanvankelijk verboden te krijgen, omdat ze ineens geen wedstrijden meer wonnen. Gelukkig had de internationale schaatsbond de enige juiste reactie: get with the program. Er moet geen meel in de mond van Geert Wilders, er moet meel uit de mond van de anderen.

Jan Kuitenbrouwer is journalist en auteur van onder andere ‘De woorden van Wilders en hoe ze werken’.

    • Jan Kuitenbrouwer