Je dacht dat je het nu wel zou weten

Later als je groot bent, snap je dingen als hypotheken en gasrekeningen, dacht je nog.

Dat valt tegen. Maar Claudia de Breij weet het allemaal wel. Deel één van een zomerserie.

Van harte gefeliciteerd met uw keuze voor de cursus ‘Leven voor Beginners’! Een simpele handleiding die antwoord geeft op vragen als: ‘Ben ik ten diepste uiteindelijk alleen?’ ‘Waarom zijn aannemers altijd een maand later klaar met de verbouwing dan ze zeggen?’, ‘Wanneer wen ik aan de dood?’ en ‘Neuken de buren nog wel?’

Al die kwesties waarvan je als kind dacht dat grote mensen wel wisten hoe het zat. Althans, dat dacht ik. Later, dacht ik, later begrijp ik waarom de rekening van de garage zo achterlijk hoog moet zijn, later haal ik potplanten bij een tuincentrum, later word ik zo’n leuk los type dat het allemaal onder controle heeft. Later ga ik leven.

Dat leven, ’t is toch een wonderlijk ding, welbeschouwd. Voor je ’t weet ben je eraan begonnen. En de eerste twintig jaar vallen al met al reuze mee. Nou ja, de eerste twintig jaar vallen natuurlijk helemaal niet mee, maar doordat de hele wereld dat erkent krijg je er een boel steun bij. Je staat onder voortdurende begeleiding omdat iedereen inziet dat het nogal veel is; leren lopen, praten, met mes en vork eten, zwemdiploma A, zwemdiploma B, wiskunde A, wiskunde B, leren zoenen, leren leren, leren leven.

En dan, vrij plotseling, ergens tussen je achttiende en je vierentwintigste, houdt het op. Dan moet je het ineens zelf gaan doen. Je wordt voor de vorm nog een jaar met een rugzak door Australië gejaagd om je ware ik te vinden en daarna ga je zelf maar eens gas, water en licht regelen, verliefd worden, op tijd op je werk zijn.

En dat kun je ook best, maar zou het niet lekker zijn om af en toe een kleine tip te krijgen van een ervaringsdeskundige? Van iemand die zegt: „Oh joh, een wiel? Dat is gewoon zo’n rond ding, met een as en met spaken d’r in. Kijk, hier heb ik er een voor je. Hoef je helemaal niet zelf uit te vinden gekkie.”

Van iemand die al, pak ’m beet, smijt ’m weg zés-én-dér-tig jaar zuivere levenservaring met zich meetorst, iemand die weet dat keukens altijd eerst verkeerd geplaatst worden, dat je nooit bij je eerste liefde blijft en dat feestjes niet leuk zijn als je ze zelf geeft? Iemand die in zeven sloten tegelijk is gelopen, so you don’t have to?

Nou dan.

Dit zijn de waarheden over de liefde, kinderen krijgen, wonen en werken die ik had willen horen toen ik twintig was. In volstrekt willekeurige volgorde; net als in het echte leven.

1 Je eerste grote liefde gaat altijd voorbij

Helaas lieverd. Als je nu met hem of haar aan de ontbijttafel zit te kroelen op de krant, nastomend van een hete nacht, elkaar jam voerend van een wijsvinger, een nog gloeiende borst vol zuigzoenen wild insmerend met yoghurt en cruesli – enfin, you get the picture – geniet er dan van, en met volle overgave. Doe alles wat je kunt verzinnen en doe het snel, want het gaat over. Dat hoort zo. Je eerste grote liefde is nooit degene die blijft, en dat is maar goed ook. Je eerste liefde is er om het tegenovergestelde te zijn van hoe het vroeger thuis was. Of om juist precies hetzelfde te zijn als je vader en/of moeder, hoe dan ook; het is niet degene die écht bij jou past om wie jij bent. Wel degene waar je iedere volgende liefde mee zult vergelijken en waarmee je, als het een beetje meezit, in je debuutroman zult afrekenen door te verklappen dat ze haar tussen haar billen had.

2 Niemand begrijpt hypotheken

Nou ja, niemand. Er zijn een paar neven op de wereld die je op familieverjaardagen zachtjes in slaap kunnen zoemen met termen als ‘courtage’, ‘overdrachtsbelasting’ en ‘bankgarantie’. Verder doet iedereen net als ik: je laat een professional bepalen wat je kunt lenen, je zegt een keertje „Oh ja? En kan daar dan niet nog een procentpunt af?” (want dat zei je neef, dat je dat moest zeggen) en vervolgens hoop je dat je niet te erg wordt genaaid door je hypotheekadviseur of bankmannetje. Wanneer je jaren later de neef in kwestie weer eens op de verjaardag van je tante ontmoet blijk je natuurlijk alsnog veel te veel te betalen, maar dat doe je dan al jaren zonder dat je er ooit last van hebt gehad dus je neemt nog een blokje kaas en rijdt tevreden terug naar je veel te dure huis.

3 Tegelijk met je kind wordt je schuldgevoel geboren

Het ligt niet aan jou. Tenzij je echt heel domme dingen doet en jeugdzorg aanleiding zou zien eens bij je langs te komen, kun je ervan uitgaan dat dat enorme schuldgevoel, dat voortdurend knagende idee dat je je kind tekort doet, onterecht is. Nou ja, onterecht; onvermijdelijk. Het idee dat jij niet de ideale ouder bent voor juist dit kind, klopt namelijk. (Er zijn mensen die denken dat een kind zelf bepaalt welke ouders het kiest, maar die mensen dragen vaak ruimvallende kleding en schoenen waarvan je zeker weet dat ze wel heel lekker moeten zitten omdat ze ontzettend stom staan.) Zoals je ook als kind altijd het gevoel hebt gehad dat je ouders beter een net iets andere zoon of dochter hadden kunnen hebben dan jij bent, zo ben jij niet de op maat gemaakte ouder voor het kind dat je gekregen hebt. En juist daarom ben je precies goed. Je moet het startblok zien te worden waartegen je kinderen zich afzetten, en met een beetje geluk doe je genoeg dingen goed om te zorgen dat ze de dingen die je fout hebt gedaan aankunnen.

4 Iederéén drinkt te veel (jij zelf ook)

Of nou ja. Ik dan. En iedereen tegen wie ik zeg: ‘Zo erg, ik heb deze week bijna elke dag wel iets gedronken’ antwoordt met ‘Oh joh, wij ook. Wijntje?’

We hebben kennelijk allemaal iets nodig om de dag door te komen, om werk, kind, huis en geliefde allemaal een beetje feestelijk te combineren en de schouders af en toe even omlaag te krijgen. Het grote verschil met het ‘te veel drinken’ uit je puberteit is dat het nu niet meer gepaard gaat met kotsen en tegen wildvreemde mensen zeggen ‘ik hou van jou, weezjedat?’ maar dat je nooit meer echt dronken bent (‘flezje wijn bij het eten’) en pas bij het invullen van een gezondheidsverklaring merkt dat je eigenlijk wilt liegen. Dat je je gewenste alcoholinname beschrijft (‘1 á 2 glaasjes, eigenlijk alleen in het weekend’) en niet de daadwerkelijke.

5 Kleine kinderen zijn vies

Die blozende schatjes uit de Pampers-reclame zijn net in die zestig seconden per dag dat ze er schoon uitzien gefilmd. Vlak daarvoor lagen ze nog onder een hogedrukreiniger. De commercial wordt gedraaid in de ene minuut voor ze weer een loopneus hebben, hun trui onder zeveren of melk ‘teruggeven’ (consultatieburo-taal voor kotsen). Een gezellig kantoorspelletje waarmee je je geliefd kunt maken bij collega’s is raden hoe oud hun kinderen zijn aan de hand van de vlekken op hun kleren. Bij wittige spuug op rug en schouder hebben we te maken met een schatje van hooguit één, alles daarboven maakt snotstrepen op kniehoogte. Je kantoorgenoten zullen zelfs niet beledigd zijn als je uitlegt hoe je aan die wijsheid komt; mensen vinden van hun eigen kinderen alles geweldig.

Dit is het eerste deel van een serie. De komende weken volgen meer levenslessen.

    • Claudia de Breij