De gedeelde roots van Amy, Daniel en Woody

Veel Engelse artiesten zijn van Joodse afkomst, van Peter Sellers tot Amy Winehouse. Weinigen lieten daarvan iets zien in hun werk, zo laat een expositie in Londen zien.

Wist u wel, roept het Jewish Museum in het foldertje bij de tentoonstelling Entertaining the Nation, dat de Beatles, de Rolling Stones én de Sex Pistols allemaal een Joodse manager hadden? En dat de door en door Engelse filmkomedies van de Ealing Studios werden geproduceerd door Michael Balcon, de zoon van Joodse immigranten? Nee, zal het antwoord vaak luiden. De Joodse identiteit van die drie managers (Brian Epstein, Andrew Loog Oldham en Malcolm McLaren) wordt niet voortdurend belicht. Evenmin als die van filmacteur Peter Sellers, komisch auteur Ben Elton, de popzangers Marc Bolan (T.Rex) en Jason Kay (Jamiroquai), toneelschrijver Harold Pinter of de pas gestorven popzangeres Amy Winehouse.

Het heeft iets van een ontmaskering, als dat niet zo’n dubieuze term zou zijn. Zelfs het feit dat acteur Daniel Radcliffe, alias Harry Potter, een Joodse moeder heeft, blijft niet onvermeld.

Maar wat doet het ertoe? Eigenlijk hebben bijna alle grootheden aan wie op deze tentoonstelling aandacht wordt besteed, maar één ding gemeen: hun Joodse afkomst is irrelevant voor hun werk.

In tegenstelling tot Amerika, waar sterren als Woody Allen, Mel Brooks en vele anderen veelvuldig hebben geput uit hun joodse wortels, zijn hun Engelse collega’s vaak zo Engels als maar mogelijk is. Of, zoals de fameuze filmproducent Emeric Pressburger eens tegen een niet-Joodse gespreksgenoot zei: „Ik ben Engelser dan u. U bent hier geboren, maar ik heb ervoor gekozen om Engels te worden.”

Levendig, met veel authentiek beeld en geluid, wordt hier de Joodse aanwezigheid in de Engelse amusementsindustrie geïllustreerd. En ook laat het Jewish Museum goed zien hoe allerlei artiesten aanvankelijk, in het begin van de twintigste eeuw, gebruikmaakten van Joodse stereotypen om de lachers op hun hand te krijgen – met een vet aangezette tongval, drukke gebaren en een leep soort geldzucht dat komisch aandeed. Maar allengs verruilden ze die pose voor een volkse variant die zich niet meer onderscheidde van de niet-Joodse grappenmakers.

Eén overblijfsel is nog de rol van Fagin, de voorman van de zakkenrollertjesbende in de op Dickens gebaseerde musical Oliver! Antisemitisch, volgens diverse critici. Anderen menen echter dat er geen reden voor verontwaardiging is, omdat zulke lieden in het negentiende-eeuwse Londen echt bestonden. Net als de in het Venetië van de zestiende eeuw rondlopende Shylock, in De koopman van Venetië van Shakespeare.

In een sketch in een van de videocompilaties zitten twee moeders tegen elkaar op te bieden over het materiële succes van hun zonen. „Mijn zoon had een bankrekening op Jersey”, zegt de ene, „maar hij moest naar een groter eiland.”

Dat had heel goed een karikatuur kunnen zijn van twee Joodse moeders. Maar ze zijn Indiaas. Zo is er zelfs geen sluitend antwoord te geven op de vraag wat Joodse humor is.

‘Entertaining the nation: stars of music, stage and screen’ is te zien in het Jewish Museum, Londen, t/m 8/1. Inl: jewishmuseum.org.uk

    • Henk van Gelder