Bloemkoolwijken met wortels in Afrika

Afrika kan als inspiratie dienen voor architectuur.

Zo kwamen er in het Westen ‘negerhuttendorpen’. Omgekeerd was het westerse modernisme in Afrika geen groot succes.

Het Burgerweeshuis in Amsterdam, gebouwd door Aldo van Eyck, werd al snel het 'negerhuttendorp' genoemd.

Het Amsterdamse stedenbouwkundige bureau Urhahn Urban Design publiceerde vorig jaar het manifest De spontane stad, met als uitgangspunt: ‘co-ontwerp en coproductie zijn de sleutel tot een werkelijk duurzame stedelijke ontwikkeling.’ Hoe je moet omgaan met de gebouwde omgeving en het gebruik van de openbare ruimte is een discussie die nog steeds veel gevoerd wordt. Zo ook begin oktober bij het Architectuur Film Festival Rotterdam 2011 met het onderwerp: ‘Think Big, Act Small’.

Wellicht is er inspiratie te ontlenen aan Afrika, zoals de Nederlandse architect Aldo van Eyck 50 jaar geleden deed. Hij deed dat tegen de hegemonie van het Nieuwe Bouwen in, de modernistische stroming waarvan pioniers als Le Corbusier en Ludwig Mies van der Rohe lieten zien dat zakelijke architectuur de toekomst had. Bij het moderne industriële tijdperk van de 20ste eeuw pasten de industriële vormen van het Nieuwe Bouwen, zo was hun overtuiging. ‘Een woning is een machine om te wonen’, vond Le Corbusier. Hun pretenties waren universeel: de nieuwe architectuur brak rigoureus met het verleden en met welke traditie en context dan ook. ‘The International Style’ werd het Nieuwe Bouwen daarom in Amerika genoemd.

Van Eyck was niet de eerste geweest die daarvan de betrekkelijkheid inzag. In 1932 hadden enkele grapjassen de Weissenhofsiedlung, de beroemde voorbeeldwijk van modernistische architectuur in Stuttgart uit 1927, omgetoverd tot een traditioneel Noord-Afrikaans stadje door tussen de witte woningen met platte daken Arabieren in lange jurken, kamelen en palmen te monteren: Araberdorf, ‘Arabierendorp’. Het was vroege kritiek op het Nieuwe Bouwen: ‘De kashba met zijn hagelwitte kristallijnen esthetiek onder de strakblauwe mediterrane hemel hield vooral voor Le Corbusier een grote verleiding in’, schrijft Antoni Folkers in zijn boek Moderne architectuur in Afrika.

Twintig jaar later kwam het Arabierendorp uit Stuttgart als een boemerang terug in Afrika: overal werd het modernisme de overheersende architectuurstijl. Dat kwam doordat de Europese kolonisatoren Afrika van oudsher beschouwden als een continent dat nauwelijks een waardevolle cultuur had. Vooral voor Engelse architecten en stedenbouwkundigen was Afrika een tabula rasa, waar ze geen rekening hoefden te houden met de plaatselijke tradities. Zo werd Afrika de speeltuin van het modernisme, ook nadat de Europeanen hun Afrikaanse koloniën hadden verlaten. Want veel van de Afrikaanse machthebbers wilden een nieuwe maatschappij opbouwen zonder het verleden als ballast. Voor de bouw van nieuwe hoofdsteden en stadsuitbreidingen namen ze daarom Europese modernisten in de arm, experts in het bouwen vanuit het niets.

Maar de modernistische architectuur en stedenbouw werden geen groot succes in Afrika. Het mediterrane modernisme van beton, staal en glas en met zijn platte daken bleek ongeschikt voor veel vochtig-tropische Afrikaanse landen. En de steden bleken minder beheersbaar dan modernistische stedenbouwers hadden gehoopt. Afrikaanse steden groeiden altijd anders dan hun plannen hadden voorzien. Soms zelfs extreem anders: beangstigend is de chaotische groei van miljoenensteden als Kaïro, Johannesburg, Lagos en Kinshasa.

Aldo van Eyck was tot de conclusie gekomen dat de modernistische stedenbouw was ontaard in monotone, onmenselijke buitenwijken. Hoe je betere wijken kon maken, kon je leren van Afrika, vond hij. Met collega’s trok hij naar het gebied van het Dogon-volk in Mali om daar dorpen te bestuderen.

Zo werd de architectuur uit Mali en andere Afrikaanse landen een belangrijke bron van inspiratie voor het zogenaamde structuralisme van Van Eyck en zijn leerlingen, onder wie Herman Hertzberger en Piet Blom. Belangrijkste uitgangspunt van het structuralisme is dat grote gebouwen een menselijke maat konden krijgen door ze op te bouwen uit kleine, herkenbare elementen. Hoe dat precies moest, liet Van Eyck zien in zijn eerste grote gebouw, het Burgerweeshuis in Amsterdam uit 1960. Het is een aaneenschakeling van tientallen koepelgebouwtjes rondom patio’s die naar alle kanten uitwaaieren. Het ‘negerhuttendorp’ werd het weeshuis al gauw genoemd in Amsterdam. Bijna vijftien jaar later bouwde Van Eycks leerling Piet Blom in Hengelo de Kashba, een dichtbebouwde woonwijk van Hollandse puntdakhuizen die zijn opgetild, zodat de begane grond, zo hoopte Blom, werd gebruikt voor markten, theater, muziek en spel.

Het structuralisme, Nederlands enige originele bijdrage aan de wereldarchitectuur, was buitengewoon succesrijk. In de jaren zeventig en tachtig hanteerden vele Nederlandse architecten, meestal in verwaterde vorm, de beginselen van het structuralisme. Zo kwam Nederland vol te staan met bloemkoolwijken, waar woonerven en huizen vol aan- en uitbouwtjes moesten zorgen voor de gezelligheid die de grootschalige modernistische woonwijken ontbeerden.

De Nieuwe Truttigheid werd bloemkoolarchitectuur in de jaren tachtig gedoopt. Toen de neorationalist Carel Weeber deze term eenmaal had gemunt, was het snel afgelopen met de woonwijken met Afrikaanse wortels in Nederland.

Het einde van de Nieuwe Truttigheid betekende niet dat Afrika verdween uit de Nederlandse architectuur. Een jaar of tien geleden was Rem Koolhaas, Nederlands beroemdste architect, in de ban van de Nigeriaanse stad Lagos. Samen met zijn studenten van de Harvard University bestudeerde hij de chaotische stad van 14 miljoen inwoners.

Wat hij precies wilde beweren met zijn artikelen over Lagos is nooit helemaal duidelijk geworden. Verder dan de vaststelling dat zelfs een krankzinnige stad als Lagos op een of andere manier toch functioneert, lijkt de les niet te gaan.

Antoni Folkers laat zien dat het fiasco van het modernisme in Afrika op verschillende plaatsen heeft geleid tot een stedenbouw zonder blauwdrukken. ‘Lichte stedenbouw’ noemt hij die. Ruimte is hierbij het toverwoord. Bouwkavels moeten bijvoorbeeld zo ruim zijn dat de gebruikers er ook een bedrijfje kunnen beginnen. Ruimte ook voor flexibele huizen die gemakkelijk kunnen veranderen als het gezin bijvoorbeeld groter wordt. En vooral: ruimte voor een eigen inbreng van de gebruikers, zodat de architectuur aansluit op hun ‘leefcultuur’.

Precies dit lijken nu ook thema’s te worden in de Nederlandse stedenbouw en architectuur. Mede door de crisis in de bouw is nu ook in Nederland het oude systeem van grootscheepse, van bovenaf gedicteerde woningbouw knarsend tot stilstand gekomen. Steeds sterker wordt de roep om meer ruimte voor gebruikers in de woningbouw.

Een manifest als De spontane stad van het bureau Urhahn Urban Design geeft aan: er is wel weer wat ruimte voor een beetje Afrika in de Nederlandse architectuur.

    • Bernard Hulsman