Artsen die bijbeunen in de filosofie

Sommige wetenschappers die in hun eigen vak status genieten, denken dat ze overal verstand van hebben, zegt Douwe Draaisma. Hij ergert zich daaraan.

Middeleeuwse bijna-doodervaringen gaan vaak over een stad en hedendaagse over de natuur. Ook de tunnel is zo'n modern beeld. Foto An Nelissen allen, eenzaam, man en hond, aan zee, kunst aan zee, in Zeeebrugge, tunnel, licht aan eind van de tunnel, zelfmoord *** Local Caption *** 005 Eenzaamheid 120 allen, eenzaam, man en hond, aan zee, kunst aan zee, in Zeeebrugge, tunnel, licht aan eind van de tunnel 110 80 An Nelissen 25 55 2003-12-25 60 15:18:19 101 90 15 20 30 2003-12-25 35 15:18:23 105 122 218 3342907

Wat zijn de overeenkomsten tussen Dick Swaab en Pim van Lommel? Ze zijn allebei arts. Ze hebben allebei een zeer succesvol non-fictieboek geschreven, respectievelijk Wij zijn ons brein (2010) en Eindeloos bewustzijn (2007). En daar houden de overeenkomsten op, zou je zeggen. Swaab is immers de materialist, de harde hersenwetenschapper; Van Lommel de cardioloog die bijna-doodervaringen onderzoekt en betoogt dat het bewustzijn lichaamloos voortleeft na de dood. Maar nu is er een derde overeenkomst: ze komen voor in een kritisch artikel van Douwe Draaisma in het net verschenen septembernummer van De Academische Boekengids (ABG).

Onder de titel ‘It’s all right, I’m a doctor’ verwijt Draaisma, hoogleraar geschiedenis van de psychologie te Groningen, de artsen dat ze zich in hun boeken buiten hun vakgebied begeven en de conventies negeren die in het voor hen onbekende wetenschappelijke terrein heersen. „Ik ben een beetje allergisch”, licht Draaisma telefonisch toe, „voor mensen die in hun vak status hebben en zich op basis daarvan ook met andere disciplines bemoeien – die denken dat ze zo breed ontwikkeld zijn dat ze daar dan ook verstand van hebben.” Kritiek van Swaab op Van Lommel, ‘dat Van Lommel weidse speculaties debiteert, die geen enkele basis in wetenschappelijk onderzoek hebben en dat Van Lommel zo zijn gezag als medicus misbruikt’, is volgens Draaisma ook op Swaab van toepassing.

‘De achting van deze twee voor elkáárs werk is niet groot, zacht uitgedrukt, zoals ik op mijn beurt met beide boeken problemen heb. Wij lijken zo een wat haatdragend driehoekje van nonfictie-auteurs’, schrijft Draaisma, zelf ook bestsellerschrijver, met een onderkoeld gevoel voor humor, ‘maar dat moet u niet verkeerd opvatten: mijn ontzag voor de cardioloog Van Lommel en de neuroloog Swaab is groot. Wat is dan het probleem? Het probleem is dat het ene boek niet over cardiologie gaat en het andere niet over neurologie.’

„Nou, ik ben wel in goed gezelschap”, lacht Swaab ironisch als hij hoort dat hij met Van Lommel in één artikel staat. „Ik ben blij dat Draaisma het eens is met mijn kritiek op Van Lommel. Maar als hij zegt dat ik geen mening mag geven over onderwerpen binnen de psychologie, filosofie, criminologie etc., dan moet hij aantonen waar ik fout zit – niet alleen: daar zit een hekje omheen.”

„Daar heeft hij wel gelijk in”, reageert Draaisma. „Mijn kritiek is ook niet dat het fout is om, bijvoorbeeld, te zeggen ‘dat we ons brein zijn’ – maar filosofen hebben direct een idee van de complicaties die dat oproept, zo’n platte variant van materialisme. Die vragen zich af hoe het kan dat we wel de ervaring hebben van bewustzijn en wat het verband is met zuiver materiële processen.” Een voorbeeld. In Zomergasten zei Swaab zondag: de nieren produceren urine, de hersenen bewustzijn. „Maar nieren en urine zijn twee fysieke verschijnselen”, zegt Draaisma. Een betere metafoor, vindt hij: „Bert Keizer, die wel filosoof is, heeft een keer gezegd dat de geest in het brein huist ‘als stemming in een feestje’.”

Wat Draaisma ook stoort is dat Swaab gemakkelijk zelf even van de late rijping van de frontaalkwab overstapt naar de berechting van pubers, maar dat hij een journalist met een vraag over kwantumfysica in relatie tot bijna-doodervaringen wél doorverwijst naar een deskundige. „Dat ademt de indruk dat er volgens hem vakken zijn waar je een deskundige voor moet raadplegen, zoals fysica, en vakken die je er zelf even bij kunt doen, zoals wijsbegeerte, rechtsfilosofie, opvoedkunde.”

Swaab: „Maar wie zegt dat ik daarvoor niet te rade ben gegaan bij deskundigen?” Bij wie dan? „Dat doet er niet toe – verschillende mensen.”

Ook Van Lommel kan zich niet vinden in Draaisma’s kritiek. „In de huidige wetenschap is sprake van superspecialisatie, waardoor je het overzicht verliest. Terwijl je juist zoveel kunt bijleren als je buiten je gebied kijkt. Als je grondig onderzoek doet, mag dat best. Het is niet zo dat je een vak moet hebben geleerd om mee te denken.” Ook geen geschiedenis? In zijn boek citeert Van Lommel een historicus, schrijft Draaisma, om aan te tonen dat bijna-doodervaringen door de eeuwen heen gelijk zijn gebleven – terwijl diezelfde historicus volgens Draaisma juist liet zien dat middeleeuwse bijna-doodervaringen vaak over de stad gaan en hedendaagse over de natuur. „Dat heeft Draaisma verkeerd begrepen”, zegt Van Lommel. „Voor bijna-doodervaringen bestaan nu eenmaal geen woorden, die zijn afhankelijk van cultuur en religieuze achtergrond.”

De toon van het artikel bevalt Van Lommel ook niet. „Zelf heb ik nooit iets negatiefs over Draaisma of Swaab gezegd.” Terwijl Swaab toch een ouderwetse visie op bewustzijn heeft, volgens Van Lommel: „De hersenen produceren het bewustzijn niet, maar zorgen dat je het ontvangt en ervaart. Zoals je computer internet niet produceert maar ontvangt. Dat komt aan de orde op conferenties over hersenen en bewustzijn waar Swaab en Draaisma niet komen. Maar ik houd respect voor ieders mening.” Zo houdt Swaab respect voor Draaisma: „Ik lees zijn boeken met plezier, ook al zijn ze niet grensoverschrijdend.” En Draaisma verheugt zich op de boekenrubriek die de ABG nu gaat beginnen: daarin worden dit soort ‘brede’ boeken besproken door mensen uit álle vakgebieden waarop de auteur zich begeeft.

Het artikel van Douwe Draaisma staat op www.academischeboekengids.nl

    • Ellen de Bruin