Zwemsters pieken op slotdagen WK

De Nederlandse zwemsters behaalden afgelopen weekeinde een wereldtitel en vier podiumplaatsen. Inge Dekker en Femke Heemskerk illustreerden in Shanghai de grillige prestatiecurve.

Het was de laatste jaren een beetje een patroon geworden voor de Nederlandse zwemploeg. Grote toernooien begonnen op de best denkbare manier, met goud voor de estafettevrouwen op de 4x100 meter vrije slag op de openingsdag. En daarna werd het stil wat betreft de medailleoogst. Dagenlang, zoals op de Spelen in Peking, waarna het toernooi voor het contingent Nederlanders uitging als een nachtkaars.

Ook de WK in het Oriental Sports Center in Shanghai leken aanvankelijk dat stramien te volgen. Totdat het slotweekeinde aanbrak: met individueel eremetaal voor Inge Dekker (goud), Ranomi Kromowidjojo (zilver en brons), debutant Sharon van Rouwendaal (brons) en Marleen Veldhuis (brons) toonde de ploeg aan dat het Nederlandse topzwemmen zich wel degelijk ontwikkelt. Die constatering zal bondscoach Jacco Verhaeren, twaalf maanden voor de Olympische Spelen van Londen, tot tevredenheid stemmen. Zijn doelstelling – meer finales, meer medailles – werd met verve gehaald in Shanghai. De zes medailles vormden zelfs de beste prestatie sinds 2001 (Fukuoka), toen de Nederlandse ploeg terugkeerde met drie keer goud en vier keer zilver. En tien zwemmers haalden in Shanghai de individuele olympische limiet voor Londen.

Waar de zwemploeg in Peking (2008) vooral hoopte op goud op de estafette, kunnen volgend jaar in het London Aquatics Centre zeker vijf zwemsters meedoen in de strijd om een individuele medaille. De mannen liggen nog achter, maar ook zij bereiken steeds vaker finales. „Ik ben erg tevreden”, sprak Verhaeren na afloop voor de NOS-camera. „Maar we moeten niet achterover leunen. We moeten hard werken om het niveau nog hoger te laten zijn. We hebben ook veel negende en tien plaatsen gezien. Dat moeten finales worden. En ik hoop dat zilver goud wordt, en brons zilver. Dan zitten we goed.”

De prestatiecurve verliep vooral grillig in Shanghai. Dat werd het beste geïllustreerd door twee zwemsters die een jaar geleden verhuisden naar het zwemmekka van Frankrijk, Marseille, om hun carrière een nieuwe impuls te geven: Inge Dekker en Femke Heemskerk.

De één, Dekker, begon het toernooi struikelend met tegenvallende prestaties op de 4x100 meter vrije slag en de 100 vlinder, maar eindigde verrassend met een wereldtitel, op de 50 vlinder. Ook al is dat geen olympisch nummer, Dekker weet zichzelf de komende twaalf maanden gesteund door de wetenschap dat zij in staat is de Zweedse supersprinter Therese Alshammar op een titeltoernooi te verslaan en finales te winnen.

Juist voor Dekker is dat een niet te onderschatten steun in de rug. Zij werd in het begin van haar carrière vergeleken met Inge de Bruijn, vanwege haar snelheid op de vlinderslag en vrije slag, maar door overmatige stress in finales deed ze zichzelf vaak tekort.

In Shanghai won ze eindelijk haar grote medaille – als de eerste individuele wereldtitel voor een Nederlandse zwemster sinds De Bruijn, in 2003. Ze wil nooit meer iemand horen over haar angst voor finales, verkondigde ze na afloop. Overigens is er voor Dekker nog een hoop werk aan de winkel: in tegenstelling tot de andere Nederlandse medaillewinnaars zwom ze nog geen olympisch limiet.

De andere Marseilleganger, Heemskerk, kwam gaandeweg het toernooi in Shanghai van de hemel in de hel. Fysiek groeide ze onder haar nieuwe coaches Romain Barnier en James Gibson uit tot misschien wel de snelste zwemster ter wereld. De eerste dagen van het toernooi in Shanghai zwom ze inderdaad de tegels uit het bad, zoals Pieter van den Hoogenband dat vroeger uitdrukte.

Na haar indrukwekkende zegetocht als slotzwemster op de estafette zwom Heemskerk op de 100 en de 200 meter vrije slag de snelste tijden van iedereen. En toch verliet ze Shanghai – als enige van de vier ‘Golden Girls’ – zonder individuele medaille, omdat ze in de finales niet tot haar beste prestaties kwam. Het tweede deel van de week stortte ze zelfs in, uitgeblust en gedesillusioneerd. „Ik zit er zo dichtbij”, huilde ze na haar 100-meterfinale voor de camera. „Het is een kans die je laat liggen. Het is zó zonde.” Ze weet in elk geval dat ze voldoende snelheid heeft gecreëerd in Frankrijk. Ze zal het komende jaar vooral energie moeten steken in de afronding van haar werk: haar beste prestatie bewaren voor de finales.

Meevallers waren er ook voor de equipe van Verhaeren, die volgend jaar in Londen mede zal bepalen of Nederland in het olympische medailleklassement de toptien van de wereld zal halen, zoals de ambitie luidt. De grootste verrassing kwam van de pas 17-jarige Sharon van Rouwendaal, die de omgekeerde weg bewandelde van Heemskerk en Dekker. Van Rouwendaal keerde enkele jaren geleden terug uit Zuid-Frankrijk, waar ze een groot deel van haar zwemopleiding genoot.

Van Rouwendaal moest dit jaar eerst afrekenen met een ernstige knieblessure en haalde de WK in Shanghai maar net. Maar die stroeve aanloop weerhield het grote talent niet van een spectaculair optreden op de loodzware 200 meter rugslag: ze verbeterde zich met ruim drie seconden ten opzichte van de tijd waarmee ze was ingeschreven.

Van haar trainingsmaatje Kromowidjojo was misschien iets meer verwacht gezien haar mogelijkheden en ambities. Met individueel brons (100 vrij) en zilver (50 vrij) achter Alshammar bevestigde ‘Kromo’ dat ze ook op de langebaan bij de wereldtop hoort, ook al miste ze een groot deel van het vorige seizoen door hersenvliesontsteking. Toch had ze gisteren op dat laatste sprintnummer liever de wereldtitel gehad. „Klote. Goeie tijd, goeie race, maar er was iemand sneller. Daar kun je niks aan doen”, sprak ze na afloop.

    • Rob Schoof