Was er maar een Museum van het Onbekende

Dingen zonder betekenis zijn schaars. Alles in onze wereld is er met een reden.

Gevonden voorwerpen zijn niet betekenisloos bedacht, maar betekenisloos geworden.

‘Wat is dit?’ Voorin het populair-wetenschappelijk tijdschrift Quest staat elke maand een rubriek met die naam. Lezers kunnen foto’s van voorwerpen insturen waarvan ze niet weten wat het zijn. Soms verschaffen ze ook nog wat schriftelijke informatie, hoe groot het voorwerp is, waar het gekocht of gevonden is. In juni stond er bijvoorbeeld een plastic voorwerp in dat volgens de inzender een kantoorartikel lijkt. „Er zit een ijzeren draadje aan de voorkant. En er zit een draaiknopje op, waarmee je het kunt verstellen. De lengte is 17 cm.’’ Zo’n beschrijving doet in zijn niet-precieze precisie denken aan de manier waarop voorwerpen in veilingcatalogi worden beschreven. ‘A late Victorian satinwood, rosewood banded and polychrome decorated Carlton House writing desk in the Sheraton revival style’ bijvoorbeeld, wordt op 2 augustus door Bonhams in Knightsbridge geveild. Geen idee wat ik me daar bij voor moet stellen, maar door de geruststellende beschrijving met al die soorten hout en stijlen lijkt het wel wat. Zou je ook alleen die beschrijving kunnen kopen? ‘Estimate: £2,000 – 3,000; €2,300 – 3,400.’

De Amerikaanse Leanne Shapton schreef vorig jaar een roman in de vorm van een veilingcatalogus. De droge beschrijvingen contrasteerden mooi met de emotioneel geladen voorwerpen die er in gefotografeerd stonden. Een Scrabblespel, aan de randen versleten…

In Quest staan dus ook foto’s, niet zulke mooie als in catalogi maar duidelijk genoeg om het voorwerp in kwestie te representeren. Het voorwerp van juni ziet er een beetje uit als een wegwerpscheermesje. ‘Graag wil ik weten wat het is!’ schrijft Wilma Schortinghuis. Ik niet. Nou ja, ik wil wel weten wat het is, maar ik wil tegelijkertijd niet weten wat het is. Dat geldt ook voor het voorwerp van januari, dat de inzender kocht op een rommelmarkt. De verkoper wist ook niet wat het was. Wat het waard was wist hij desondanks wel: 6,50 euro. Helaas geeft de inzender geen beschrijving van het voorwerp, wel vermeldt hij dat hij het uitgekookt heeft. Op de foto lijkt het ding van metaal, een stok met daaraan een langwerpige trechter. Erbij hoort een dunnere metalen staaf met een open cirkel aan het ene uiteinde en een soort stompe sigaar aan het andere. De sigaar lijkt in de trechter te passen.

Zo’n voorwerp beschrijven blijkt zo makkelijk nog niet; als je niet weet wat het is, wordt het nog moeilijker. De functie geeft houvast voor het beschrijven van de vorm, kennelijk. Zeker als je teleologisch aangelegd bent. Een hamer is iets om mee te slaan. Die onzekerheid maakt de voorwerpen extra aantrekkelijk. Waar kijk je naar? Waar moet je naar kijken?

Van de meeste voorwerpen in Quest wordt de volgende maand duidelijk wat het is. Het voorwerp van juni bleek geen scheermes maar een kaasschaaf, eentje die vijftien jaar geleden als ‘magische’ kaasschaaf door standwerkers aan de man werd gebracht. ‘Door het dunne ijzerdraadje en de roller voorop blijft de kaas niet plakken.’

Over het voorwerp van januari meenden veel lezers dat het maar goed was dat de inzender het had uitgekookt. Het is een proto- of anuscoop, ‘een instrument dat door artsen wordt gebruikt om in de anus en het rectum te kijken’.

Het zijn leuke of grappige oplossingen. Ik had bijvoorbeeld nog nooit beseft dat een scheermes en een kaasschaaf zo veel op elkaar lijken, en haren en kaas dus ook iets gemeen hebben: je kunt ze beide afsnijden. Ook de anuscoop spreekt tot de verbeelding.

Er zijn ook voorwerpen die ‘rare apparaten’ blijven. Dat van mei werd gekocht op een veiling waar niemand wist wat het was. De Quest-lezers weten het ook niet, want het voorwerp, 74,5 cm lang en 1,5 cm dik, keerde onontdekt terug in het juninummer. Er kwamen weinig reacties ter redactie. Wegens de lengte en de dikte kan het volgens de redactie geen briefopener zijn. Dit voorwerp van Esther van den Berg, een soort dolk met gestanste gaatjes in het heft, is nog steeds incognito. Wat een bevrijding.

Ik zou wel een museum willen bezoeken waar alleen maar voorwerpen worden tentoongesteld waarvan niemand weet wat het zijn. Een concrete verzameling waarvan de enige deler is dat er niets over geweten wordt. Daar mag ook een recente vondst uit Almere bij. In het Lumièrepark werd onlangs een voorwerp opgegraven dat volgens archeologen de bijzonderste vondst in Almere is van de afgelopen tien jaar, maar wat het voorstelt, dat weet niemand. ‘Deskundigen staan voor een raadsel’. Volgens een woordvoerder van de gemeente lijkt het ding een beetje op een wc-bril. In jargon: ‘Het voorwerp is 63,5 cm hoog, 37 cm breed en 6 cm dik. Het lijkt gemaakt uit schist (een soort gesteente), maar zeker is dat nog niet. Op de zijkanten zijn gekromde, parallelle groeven aanwezig.’

Dit voorwerp zou een ereplaats krijgen in het Museum van het Onbekende. Maar als de herkomst achterhaald is, moet het die weer afstaan aan een ander ding zonder betekenis.

Het zou waarschijnlijk een klein museum worden, want veel dingen zonder betekenis zijn er niet en de dingen die dat zijn blijven het vaak niet lang. De steen van Rosetta zou maar 23 jaar in het museum zijn gebleven, de rare apparaten uit Quest meestal maar een maand. Misschien dat ik er daarom zo dol op ben. Dingen zonder betekenis, zonder doel, zijn schaars. Alles in onze wereld is er met een reden, al was het maar om kaas te snijden, de nagels van een huisdier te knippen, warm te blijven voor de televisie (de snuggy: een deken met mouwen), je schoenen aan te doen en je haar te kammen – er is zelfs een voorwerp dat die twee functies verenigt.

Een uitweg zou de kunst kunnen bieden. Daar is wel veel van, daar zijn de dingen ook zonder nut en doel, daar mag je volgens velen zelf weten wat je erin ziet, daar is dubbelzinnigheid in ieder geval tot een norm verheven. Maar ook kunst is bedacht en bedoeld, al was het maar om raadselachtig of geheimzinnig te zijn. Er zijn veel kunstenaars geweest die hebben geworsteld met dit probleem, onder wie Jean Arp in de beeldende kunst en John Cage in de muziek. Bij de gevonden voorwerpen is er geen worsteling; ze zijn niet betekenisloos bedacht maar betekenisloos geworden, als een taal waarvan wel geluidsopnames bestaan maar geen sprekers meer. Rhyme nor reason.

Omdat aan de dingen geen woorden kleven lijken ze een soort pure staat van zijn bereikt te hebben. Ze zijn gemaakt door mensen maar zo waaromloos als een steen. Ook het wie wat waar wanneer en waartoe ketst erop af. Alles is mogelijk.

De voorwerpen uit Quest zijn niet de enige dingen die zich tegen eenduidigheid verzetten. Er zijn meer dingen waar iets mee is, en dat kunnen gelukkig ook alledaagse dingen zijn. Ik voel bijvoorbeeld een grote achting voor muziekinstrumenten. Dat zijn om een andere reden rare apparaten. Ze zien er prachtig uit, maar zicht heeft met hun uiterlijk niets te maken: de vorm wordt juist volledig gedicteerd door de functie, het voortbrengen van geluid. Ze zijn niet bedoeld om te zien maar om te horen. Naar ze kijken heeft daarom iets van gluren; alsof je iets ziet wat eigenlijk niet mag.

Vanaf vandaag vier weken lang in de rubriek ‘Per ongeluk expres’, hiernaast, een beeld waar iets mee aan de hand is. Waar het oog hapert.

Van Bianca Stigter verscheen bij Contact het boek ‘Per ongeluk expres. Over kunst.’