Hoe schrijf je dialogen?

Na seksscènes zijn dialogen de meest onthullende lakmoesproef voor het talent en de techniek van een schrijver. Als ik de geslaagde en minder geslaagde voorbeelden met elkaar vergelijk, kom ik tot de conclusie dat er twee valkuilen zijn, misschien drie. De eerste is dat de romanschrijver, bij gebrek aan acteurs, de terechte noodzaak voelt om aan te geven wie er aan het woord is. Zoals je tante die iets vertelt op een verjaardagsfeestje: ‘Nou zegt ze anders ik wel met die knieën van mij zegt ze. Zegt ze ik kom nauwelijks een trap op zegt ze. Zegt-ie nou zegt-ie dan gaan we toch met de taxi zegt-ie.’ En dan kom je als schrijver al gauw op het idee om dat ‘zegt ze’ te gaan variëren. Daar moet je enorm mee oppassen. Dat is een valkuil. Want voor je het weet, krijg je zoiets als dit:

‘Het is mij het weertje wel’, observeerde zij zuchtend.

‘In dat geval is het misschien een wijze raad om de beschutting op te zoeken’, voegde hij haar grinnikend toe.

‘Jij stouterd’, meesmuilde zij.

Dit tenenkrommende voorbeeld, dat ik niet citeer maar helemaal zelf heb bedacht, laat ook de tweede valkuil zien. In beschrijvingen en in narratieve passages mag je zo raar en zo bloemrijk schrijven als je nodig acht, maar in dialogen komt dat volslagen onnatuurlijk over. Mensen praten niet zo. Mensen praten überhaupt niet altijd netjes om de beurt in afgeronde volzinnen. Ze praten in halve zinnen, losse woorden, knikken of zwijgen. Dus je moet het buskruit van je stilistisch vuurwerk droog houden als je dialogen schrijft. Maak het zo simpel en realistisch mogelijk. Dan mag je elders weer uitpakken als je dat zo graag wilt. En om de eerste valkuil te vermijden, moet je de verleiding weerstaan om te variëren en jezelf dwingen om jezelf te beperken. Gebruik alleen ‘zeggen’, net als je tante, maar gebruik het zo min mogelijk. Als we ons tenenkrommende dialoogje volgens deze regels herschrijven, krijg je dit: ‘Wat een kutweer’, zei ze. ‘Hotel?’ Ze knikte.

We gaan er niet onmiddellijk de Nobelprijs mee winnen, maar in ieder geval begint het ergens op te lijken. In de juiste context zou het kunnen functioneren. Ook omdat het ergens naartoe gaat. Naar een hotelkamer, godbetert. Oehoe.

Want dat is misschien de derde valkuil. Slechte schrijvers schrijven dialogen omdat ze denken dat die erbij horen. Hun dialogen zijn ook bijna altijd te lang. Ze laten hun personages maar wat aankletsen. Een goede schrijver beseft dat een dialoog een middel is om van A naar B te komen. Naar een hotelkamer bijvoorbeeld. Bij voorkeur naar een hotelkamer. Daar houden zijn personages tenminste eindelijk hun mond.

Ilja Leonard Pfeijffer